
Op een dag -ik denk dat het in 1989 was – ging C, de zus van mijn toenmalige vriend, boodschappen doen en zag in de supermarkt een man met een klein katje in zijn jaszak. Het katje maakte een gestreste indruk en C. sprak hem aan. Dat dit toch niet een plek was om een kat mee naar toe te nemen. Voor ze het wist kreeg ze het beest in haar handen geduwd en was de man verdwenen.
Thuisgekomen werd ze bepaald niet enthousiast ontvangen door de vijf katten die ze al had. Dat was al veel te veel op haar kleine bovenwoning, gezinsuitbreiding was niet gewenst! Dus zat het poesje vooral onder het bed en liet zich niet zien. Ook omdat de katten des huizes zich voor het bed hadden gepositioneerd, vastberaden de kleine indringster een lesje te leren.
En daar kwam ik in beeld. C. belde of ik het poesje wilde komen halen want dit ging niet. Nu zag ik het wat somber in, mijn kat Joris had een nogal uitgesproken karakter en ik wist niet hoe dit zou uitpakken. Ik wist bovendien heel zeker dat ik een kat genoeg vond. Maar ik was wel bereid haar te komen halen en een huisje voor haar te zoeken. Ik ging meteen rondbellen.
Dus zat ik de dag erop in de tram met een heel klein poesje op schoot, een kitten nog. Ze was allerschattigst om te zien! Een heel klein elegant zacht zwart-wit poesje. Ik was op slag verliefd. Dat ik ging rondbellen floepte zo uit mijn brein, nooit meer aan gedacht.
Joris was ook op slag verliefd. Vergeten waren zijn agressieve buien, zijn sloopaanvallen en zijn gilpartijen. Hij had nu een doel in het leven: Dorrit!
Ze kon en mocht alles, van hem en mij. Dus sliep ze bovenop hem op de bank. Op mijn hoofd in mijn bed. Ze lag in de col van van mijn coltrui en liet zich zo ronddragen, als een kangaroo in een buidelzak. Ze was speels, schattig, aanhankelijk en had niets overgehouden aan haar slechte start in het leven.
Toen ze een jaar of vier was, werd ze ziek. Ze kreeg zware aanvallen die aan epilepsie deden denken. Heel beangstigend om te zien. Ik nam vrij van mijn werk en bleef twee weken thuis. Als ze een aanval had, dan gooide ik een handdoek over haar heen en hield haar stevig vast, zodat ze zich niet kon bezeren. Ze hallucineerde overduidelijk en zag ze letterlijk vliegen. Er kwam van alles uit de muren kruipen, zo leek het wel als je naar haar keek en haar reacties zag.
Wat het was, geen flauw idee. De arts dacht aan een soort vergiftiging. Na een paar weken verdween het net zo plotseling als het was gekomen.
Naast dat ze schattig was, had ze ook streken. Ze haatte tulpen en bracht er al eens iemand per ongeluk een bos tulpen voor mij mee, dan wist ze die binnen een minuut te onthoofden.
Mijn ouders hebben een paar keer op Dorrit en Joris gepast toen ik op vakantie ging. De bovenverdieping van hun huis werd katvriendelijk ingericht terwijl de hond beneden zich afvroeg wat daar toch zat boven. Het was een paradijs voor ze daar, met een uitgezet speelparcours om ze lekker bezig te houden.
Dorrit heeft zich de eerste keer toen ze daar logeerde onder het bad geparkeerd en pas toen mijn vader het bad van zijn plek haalde, kwam madam weer tevoorschijn.
De tweede logeerpartij bleek ze het nieuwe behang dat mijn ouders op de bovenverdieping hadden, heel geschikt te vinden om tegen aan te springen en dan met de nagels uit zo langzaam naar beneden te zakken. Dorrit wist wel wat leuk was!

Ze had een allergie en zat altijd onder de korstjes. Van alles geprobeerd, ook met voeding. De dierenarts stelde voor haar voeding te geven waarvan we zeker wisten dat ze het nog nooit had gegeten, om zo te kijken of de allergische reacties verdwenen. Want vooral eiwitten van dierlijke oorsprong kunnen allergische reacties geven.
Dus stonk het in ons huis weken naar gekookt geitenvlees. M. haalde dat op zaterdagochtend bij een islamitische slager en ik gooide dat in de pan. Stinken als hel maar het maakte helaas niets uit. Wat wel hielp waren de injecties met corticosteroïden die ze daarna twee keer per jaar kreeg. Die maakten dat de allergie – of wat het ook was – redelijk onder controle was.
Op hoge leeftijd viel ze ineens erg af en bleek ze een te snel werkende schildklier te hebben. Vanaf dat moment moesten we er pillen in proppen. Dat was best heftig want buiten tulpen haatte ze ook de dierenarts en pillen. Zo klein en schattig als ze altijd was, zo angstaanjagend en fel kon ze uitslaan met haar nagels.
Maar alles went, zelfs een pil. Uiteindelijk bleek het sop de kool niet waard en accepteerde ze het. Net zoals ze Moos en Smoes accepteerde nadat Joris was gaan hemelen. Ze wilde niet met ze spelen, ze waren te jong en te druistig voor haar, maar ze waren wél handig om op te liggen.

Ze is 20 jaar geworden. Ingeslapen op haar eigen plekje, op 23 april 2009. We hebben de dierenarts thuis laten komen. Ze was al een tijdje ziek. Vlak voor de dierenarts kwam wilde ze de tuin in. Dat was bijzonder want ze was al lang niet meer buiten geweest. Ze deed een laatste rondje tuin en bleef overal staan. Kijken en ruiken, koppie in de zon. Afscheid nemen van een leven dat lang en fijn was. Mijn kleine meisje.
