Smoes en zijn schildklier

Vorig jaar juli ging onze kat Smoes onder het mes om aan zijn schildklier te worden geopereerd. Hij had last van hyperthyreoïdie, een te snel werkende schildklier. Dit is een aandoening die veel voorkomt bij oudere katten. Omdat ik eerder een schildklierkat heb gehad, herkende ik de symptomen: vraatzucht, afvallen, onrust, diarree, snelle hartslag, weinig spiermassa, overgeven. Het drong toen niet meteen tot mij door want Smoes is altijd al gefixeerd op eten geweest omdat hij als kitten overduidelijk te weinig heeft gekregen en een slechte start heeft gehad. Maar toen ik op een dag zag dat het hem niet lukte op ons bed te springen ging er een alarm bij mij af.

Afijn, de te snel werkende schildklier is verwijderd. Voorafgaand aan de operatie heeft hij ca. 8 weken medicatie geslikt. Op zich werkte dat prima. Dat wij toch voor een operatie kozen was omdat we het een fijner idee vonden dat hij na een operatie niet meer levenslang twee keer per dag pillen toegediend moest krijgen.

Na de operatie knapte hij goed op. Zijn ademhaling en hartslag waren beduidend rustiger en na een tijdje zagen en voelden we dat zijn spieren ook weer sterker werden. Op bed springen was geen probleem meer. Sterker nog, hij klom weer over de schutting in de tuin alsof hij een kitten was. Het is altijd een hyperactieve druistige kat geweest. Gefixeerd op eten was hij nog steeds, maar ja, eten is zijn hobby.

Deze week drong het tot me door dat er toch weer iets aan de hand is met Smoes. Hij is weer wat afgevallen en in eerste instantie vond ik dat niet vreemd. Al onze katten zijn dit voorjaar wat afgevallen. Ze zijn immers nachten de hort op. Maar hij voelt zo fragiel en toen ik hem van de week optilde om hem te wegen, schrok ik ervan hoe zijn hart tekeer ging.

Op naar tante dierenarts dan maar weer. En jawel, de overgebleven schildklier werkt ook te snel. Echt pech! Ook nu werden de opties weer besproken. Dat zijn er vier:

  • radioactieve therapie: een injectie met radioactief jodium. Dit heeft een slagingspercentage van 80 % maar ook veel nadelen. Het is een dure behandeling (ca €2000), kan niet bij onze eigen dierenarts worden gedaan maar moet in Amsterdam, de kat moet na de injectie een aantal dagen opgenomen worden, na thuiskomst moet de kat een flinke tijd binnen blijven. Gebruikte kattenbakkorrels moeten drie maanden worden bewaard voordat ze mee kunnen worden gegeven met de vuilophaaldienst.
  • Jodiumvrije voeding geven
  • schildklier verwijderen, en daarna levenslang pillen slikken
  • schildklier laten zitten en levenslang behandelen met medicatie die de schildklier afremt. Dat kan met pillen of met oorzalf.

We hebben vorig jaar natuurlijk al deze opties uitgebreid besproken. Nu weer opereren heeft geen zin, aangezien we daarna evengoed toch levenslang pillen moeten geven. Jodiumvrije voeding is zinloos in een huis met vier katten. Smoes loopt bovendien ook regelmatig bij de buren naar binnen om daar kattenbrokjes te jatten. Dat gaat dus niet lukken. Een radioactieve injectie gaat ook niet lukken. Ik vind het de stress van een opname niet waard en het is onhoudbaar om in een huis met vier katten drie maanden kattenbakkorrels te moeten bewaren. Alle katten kunnen hier gebruik maken van de kattenbak. Hij zou dan bovendien ook een flinke tijd niet naar buiten kunnen. Daar doen we hem geen plezier mee.

We kiezen er dus voor om medicatie geven die de hormoonproductie afremt. Ook dat kent nadelen. De pillen kunnen voor bijwerkingen zorgen en kunnen op lange termijn zorgen voor andere gezondheidsproblemen. De oorzalf zorgt vaak voor ontstekingen. We hebben gekozen voor de pillen. Het is de optie die hem de minste stress oplevert, hij laat het toedienen vrij makkelijk toe. Ik heb ook dit keer wel geprobeerd om de pil in kaas of leverworst te stoppen maar dan kan ik het in mijn haar smeren, hij rent keihard weg. Vreemd, want met de driemaandelijkse wormenpil lukt dit wel altijd. Ook jammer, want dat was voor de vakantieoppas een stuk makkelijker geweest.

Onze vaste kattenoppas is niet iemand aan wie ik kan vragen pillen toe te dienen. Ik help haar juist meestal als er iets met haar katten is. Gelukkig is vriendin D. bereid het te doen als wij op vakantie zijn. Zij woont hier om de hoek en kent onze katten goed. Ik kan haar leren wat het trucje is met Smoes. Hij laat zich namelijk niet zomaar optillen en rent keihard weg als hij denkt dat je dat gaat doen. Als een echte kat heeft hij een inwendig pillenalarm. Zodra hij vermoedt dat het zover is, rent hij weg. Maar nat voer kan hij niet weerstaan! Je zet een bak met eten voor zijn neus en nét voordat hij zijn kop erin stopt, til je hem op, zet hem op het aanrecht, hop die pil erin en meteen weer met zijn neus voor die bak met eten zetten. Hij heeft het dan vrijwel niet door wat er gebeurt.

Dus, zo gaan we het maar doen.

Vertrouwen

Wie hier nog niet zo lang geleden is aangehaakt, heeft inmiddels vast wel meegekregen dat ik vier katten heb, maar het verhaal erachter zal onbekend zijn. Vier katten met elk hun eigen heftige verhaal. De oudste twee waren nog heel jong dat ze bij ons kwamen en hebben relatief weinig overgehouden aan hun slechte start in het leven. Maar de jongste twee katten, Dibbes en Gerrie, waren naar schatting een jaar of drie, vier toen ze in onze tuin opdoken en hadden overduidelijk ellendige tijden achter de rug.

Ik heb ze van de straat geplukt. Letterlijk gelokt met lekker eten. Ik heb ze maanden bewerkt met lieve toespraken vol beloften over volle buikjes en veiligheid. Dibbes ging in 2013 overstag en Gerrie in 2014.

Na het in huis nemen volgde een intensieve socialisatie, Gerrie was bijvoorbeeld helemaal geen menselijk contact gewend en fysiek moesten ze behoorlijk opgelapt worden. Dibbes was bijna blind door een oogaandoening en een operatie was noodzakelijk. Bij beide heren werkte het immuunsysteem niet goed door jaren van weinig eten of troep eten en de stress van het straatleven. Ze zaten continu onder de teken en vlooien, ondanks dat ik ze daar wel voor behandelde. Gerrie had oude onbehandelde botbreuken. En bij beide heren was de motoriek onderontwikkeld. Even op een schutting springen of op een tafel, dat lukte ze niet.

Fysiek knapten ze redelijk snel op maar voordat ze hun verleden ook mentaal achter zich konden laten, dát duurde veel langer. Je kan de kat wel van de straat halen maar je haalt daarmee niet meteen het straatleven met alle ellende, uit de kat. Ze waren overduidelijk getraumatiseerd en het duurde behoorlijk lang voor ik de heren in normale katten zag veranderen die spelen, knuffelen en eten eisen.

Inmiddels gaat het heel goed met ze. De enige terugkerende bron van stress is eigenlijk als er hier wel eens geklust wordt. Sinds ze hier wonen is de keuken gerenoveerd, de wc vervangen, het raam op zolder vervangen en zo nog wat dingen. En elke keer is het een enorm drama met katten die in paniek wegrennen. Vooral Dibbes komt dan pas na uren weer terug, met ogen als zwarte schoteltjes, volledig over de zeik. En ook al is het klusvolk al lang weer vertrokken, hij vertrouwt het niet. Dat heeft elke keer weer dagen hersteltijd nodig. Gerrie is net zo schrikkerig maar herstelt zich gelukkig altijd wat sneller.

Als er hier geklust moet worden heb ik dus altijd dubbele stress. Ik trek het zelf namelijk nauwelijks en maak me ook zorgen om de katten omdat ik weet wat de impact is en ze altijd weer terugvallen in oud angstig gedrag.

Deze week hadden we een megadoorbraak. Het lekt bij ons in de badkamer en wat een snelle reparatieklus had moeten worden is uitgegroeid tot een drama in vier delen waarbij de loodgieter er af en toe voor zorgt dat ik de man wil aanvliegen, omdat hij de aandachtspanne van een kleuter heeft en zonder overleg dingen doet met grote gevolgen, zoals een deel van het plafond slopen omdat anders de douchedeuren niet passen. Maar dáár gaat dit stukje niet over. Dit gaat over twee stralende stoere katten die hooguit geirriteerd reageren, ‘is die vervelende man er al weer!’, voor de zekerheid wel naar buiten gaan maar wel op de gewone eettijd brokjes eisen.

Nadat de loodgieter voor de deur achter zich dicht trekt, stappen de heren achter weer naar binnen, staart in de lucht, het huis weer opeisend. Wat zijn die twee gegroeid en wat een vertrouwen hebben ze inmiddels. In zichzelf en in ons. Dat vind ik ontroerend en mooi om mee te maken.

In de avond even de verloren tijd aan knuffels inhalen …

Een avontuurtje

Afbeelding Pixabay

Omdat de koek op is, gaan we vroeg naar bed. Half tien liggen we op één oor. M. is helemaal uitgepoept, waarschijnlijk door de stress op kantoor over het wel of niet houden van zijn baan, en ik, nou ja, ik ben altijd uitgeput.

Je kunt als ik mijn gehoorapparaatjes niet in heb, heel hard ‘Love me tender’ in mijn oor zingen, ik hoor dat niet. Maar als er iemand met een ruk ineens overeind gaat zitten om 11 uur in de avond, dán word ik wakker. M. zit ineens rechtovereind in bed, zegt dat Smoes gromt, vervolgens gaat hij weer liggen en ronkt verder alsof er niets is gebeurd.

Voor mij begint het dan pas. Eenmaal wakker, blijf ik wakker. Zóveel om over te denken. Smoes gromt? Ik hoor dat dus niet maar wil meer weten. Gromt hij beneden? Waarom? Of gromt hij hier in de kamer en is er dus iets onder ons bed verstopt dat het grommen waard is ? Dat zijn vragen die om antwoorden gillen!

Ik stap uit bed. Smoes blijkt in de slaapkamer te zitten en hij loopt blij en met zijn staart in de lucht mee naar beneden. Dat gedrag is normaal. Het gedrag van Gerrie daarentegen is verre van normaal. Die loopt als hij mij ziet met rare vreemde sprongetjes door de kamer, met een wulpsheid die ik nog nooit bij hem heb gezien. In de keuken aangekomen gaat Gerrie plat liggen en – dit verzin ik niet – wijst in het donker met zijn voorpoot op een zwartig ietsje, dat een muisje blijkt te zijn als ik het licht aandoe.

Muisje ligt stil. Hij is nat, waarschijnlijk omdat hij net nog in de bek van Smoes zat. Hoewel Gerrie zich nu gedraagt of dit zijn muis is, geldt in dit huis de regel dat ervaringen in het verleden een goede voorspeller van het heden zijn. Zeker ook gezien het gegrom van Smoes, dit is de muis van Smoes.

Hij ligt daar dood te zijn op een manier die doet denken aan de cowboy en indiaan spelletjes van vroeger. Dan was je ineens dood en viel je neer met armen en benen wijd. Want zo zag dood zijn eruit. Dit muisje ligt op zijn buik, armen en pootjes wijd.

Inmiddels heb ik Dibbes gespot in de achtertuin en hij spot mij ook. ‘Wat is er, wat gebeurt er, wat doen jullie?’ Dibbes stapt door het kattenluik en gaat naast mij en Gerrie staan. Gerrie ligt plat op de grond en zijn poot wijst nog steeds naar de muis. Ik begrijp dat hier iets van mij verwacht wordt, als ik niet wil dat ik dit muisje morgenochtend in drie stukken terugvind. Want hoewel Gerrie en Dibbes niet echt verder komen dan wijzen en kijken, rukten Moos en Smoes in hun jonge jaren regelmatig vogels en muizen volledig uit elkaar. Wie weet in wat voor heropleving deze bejaarden nu zitten? Moos is weliswaar nergens te bekennen en Smoes komt niet verder dan grommen, wat ik nog steeds niet hoor want niet ingeplugd maar ik geloof M. op zijn woord, maar toch.

Optreden dus. Ik pak wat toiletpapier en raap het muisje heel voorzichtig op. Ik besluit hem buiten in de groenbak te deponeren en loop in onderbroek
naar buiten. Het is laat en donker en niemand die me ziet, hoop ik dan toch. Daar, eenmaal in de frisse lucht, gebeurt er een wonder. De muis rent ineens over mijn arm! Een opwekking van levensenergie! Of de muis hield zich gewoon dood omdat zijn overlevingsinstinct zo groot is.

Afijn, de muis doet het weer en mijn brein ook. Alles staat aan en op alert. Ik kruip geagiteerd weer in bed en wil mijn verhaal aan de man vertellen, maar die geeft geen sjoege en wil dat ik mijn kop houd. Slapen lukt niet meer. Ik denk aan de muis, zo alleen en geschrokken in het donker. Ik voel nog uren zijn pootjes trippelen over mijn arm. En vraag me af of hij ook nog aan ons denkt. Of dat hij alweer op de vlucht is voor het volgende gevaar.

In de steek gelaten

Elk jaar in het voorjaar
word ik in de steek gelaten.
En het went nooit.
Lig ik normaal elke nacht
met vier katten om mij heen,
in het voorjaar
gaan ze de hort op.
Wat ik daarvan vind
vragen ze mij niet,
de ontrouwe haarballen.

De hele winter ongemak.
Vechten om een plek.
Dibbes tegen mijn buik.
Gerrie naast mijn hoofd.
Moos in mijn knieholte
en Smoes op het voeteneind.
Zo gaat het.
Zo hoort het.
Vind ik dan toch.

En dan ineens
als de nachten korter worden
en de temperatuur stijgt
voldoe ik niet meer.
Mijn opoffering van
altijd klem liggen
wordt niet meer gewaardeerd.
Ze gaan op stap,
met zijn vieren.
Avontuurtjes beleven.
Zonder mij.

En ik?
Ik lig in bed
in een zee van ruimte
waarin ik verdwaal
en niet kan slapen.
Geen Dibbes tegen mijn buik.
Ik kan mijn benen strekken,
niezen zonder dat Gerrie schrikt.
Dat kan toch niet.
Dat hoort toch niet.

En dan straks weer
mooie sier maken
als het kouder wordt.
Ik trap er niet meer in.
Ik kijk niet meer
in die zeegroene ogen.
Ik negeer de zachte geluidjes.
Ik laat me niet meer versieren.
Hoor je me?
Nee is nee.
Dit bed is van mij.
Van de man en mij.
Mensen, geen katten.
Humans only.

Nou vooruit.
Even dan.
Voor deze ene keer.
Dit schept geen precedent.
En niet doorvertellen.
Anders neemt niemand
mij nog serieus.





#MeToo in het dierenrijk

afbeelding Pixabay

Het is mooi weer en we zitten in de tuin, vier katten en ik. Op wat omgevingsgeluiden na is het heel rustig, heerlijk. Af en toe vliegen er wat eenden over wat dan meteen gevolgd wordt door kabaal. Als ik ze voor de derde keer zie overvliegen, besteed ik er wat meer aandacht aan. Het zijn drie hitsige woerden die achter een vrouwtje aanvliegen.

Ze scheren telkens vrij laag over de tuin heen, maken dan een bocht en belanden met zijn allen in de sloot. Wie ooit eenden met elkaar heeft zien paren, weet dat dit niet zachtzinnig gaat. Het gebeurt met veel agressie en de vrouwtjeseend wordt tijdens de daad half verzopen. Zo ziet het er wel uit tenminste. Niet zo vreemd dat die vrouwtjes daar weinig trek in hebben. In het voorjaar zien we dan ook vaak vrouwtjes die ervandoor gaan, met een schare geile woerden er achteraan.

Als ze voor de zoveelste keer over de tuin vliegen, besluit de dame in kwestie tot een verrassende afleidingsmanoeuvre. Ze laat zich ineens pal uit de lucht vallen en landt in de tuin. De kerels hebben niets door en vliegen in volle vaart verder. Ze zit midden in de tuin.

Kat Smoes was net met een poetsbeurt begonnen, zijn achterpoot steekt in de lucht alsof hij een yogales volgt. Hij kijkt verbaasd naar de eend voor hem. Zo verbaasd, dat zijn achterpoot gewoon in de lucht blijft hangen. Dan kijkt hij naar mij. Het gesprek dat wij hadden ging als volgt:

“Zie je dat? Is dat wat ik denk dat het is? Een eend! Ik zie een eend!”
Hij kijkt verbijsterd om zich heen, die poot wil maar niet zakken.
“En nu? Ik wil er wel achteraan rennen als ze vliegen of zwemmen, maar deze zit op een halve meter afstand! En ze is best wel groot.”
Kijkt naar mij. “Wat verwacht je nu van mij?”

Het #MeToo slachtoffer is zich van geen kwaad bewust. Ze ligt na te hijgen, uitgeput. De eend ziet Smoes niet, die twijfelt of hij nu wel of niet iets moet doen. Een lekker koolmeesje is tot daar aan toe, een spreeuw wellicht ook, maar een eend? Instinct en ontzag vormen in het brein van Smoes een strijd, hij is immers geen grote kat. Ze ziet Smoes niet, maar ook de andere katten niet die verspreid over de tuin dutjes liggen te doen. Zij zien haar trouwens ook niet, dus van die kant van het front is geen gevaar te vrezen.

Ik kom in beweging voordat Smoes dat besluit te doen en jaag haar zo vriendelijk en meelevend mogelijk weg. Daar gaat ze weer en onmiddellijk duiken de woerden ook weer op. De natuur gaat zijn gang. Behalve Smoes, die poot blijft in de lucht en de blik blijft peinzend. Tot hij ineens moe wordt en een dutje moet doen.

De kapsoneslijer van verderop

Andere kat maar het had hem kunnen zijn….(afbeelding Pixabay)

Als ik door het keukenraam kijk, zie ik een prachtige kat met lange haren en een weelderig wuivende staart, statig en met zichzelf pronkend de tuin in komen lopen. Hij lijkt dik maar dat is denk ik schijn, zijn vacht is extreem dik. Alhoewel, dan heeft hij wel héél veel vacht zo rond zijn kont en buik. Laten we het erop houden dat het een goed geportioneerde Maine Coon is.

Aan zijn gedrag zie ik dat hij weet dat dit vijandelijk gebied is. Hij kijkt goed om zich heen. Ik weet dat onze theemutsen in diverse stadia van niets doen en diepe slaap boven op ons bed liggen, maar hij weet dat niet. Goed opletten dus.

Buiten wat vogels die krijsend over hem heen vliegen, is er geen ander gevaar en ik zie hem ontspannen. Er wordt zelfs wat gesproeid. Zodat die van ons later als het ware kunnen lezen dat die dikke harige kapsoneslijer van drie huizen verderop hier was.

Hij waant zich onbespied en voelt zich steeds zekerder. Totdat hij mij ineens ziet, zo achter het keukenraam. Ieuw! Hij kijkt paniekerig om zich heen. Ziet de pergola in het midden van de tuin en gaat achter een pergolapaal zitten. Hij zit doodstil en zijn kont steekt links en rechts aan de zijkant van de paal uit. Ik zie een beetje paal en veel kat. Hij denkt dat ik hem niet zie.

Natuurlijk speel ik het spel mee, het is wel zo beleefd om hem de kans te geven een aftocht zonder al te groot gezichtsverlies te organiseren. Dus kijk ik even weg. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hem een meter naar achter schuifelen. Als ik weer voor hem zichtbaar opkijk, zit hij opnieuw doodstil, in de lijn van de paal. Ik maak een eind aan de marteling door weg te lopen. En zie hem in een slip de tuin uitrennen.

Veel poeha maar weinig lef noemen wij dat. 😉 .

De wereld redden

afbeelding Pixabay/ Jolanda Coervers

Tijd voor een bekentenis: ik heb vier eigen katten maar daarnaast heel veel andere katten (en honden) die ik via Instagram in de gaten houd en financieel steun. Toen ik een paar jaar geleden Villa Vacht ging steunen met een maandelijkse donatie, kwam ik op een glijdende schaal terecht. Want de stroom zielige beesten die gered moet worden, is groot. En ik zie ze allemaal via Instagram dagelijks voorbij komen.

Hoewel veel mensen klagen over social media en ik ook wel snap waarom, vind ik Instagram een hele fijne uitzondering op de regel. Misschien omdat ik alleen zie wat ik zelf selecteer? Ik zie daar veel onderlinge steun, mensen die elkaar helpen. Voor mij is het een manier om in contact te komen met de internationale ME-community maar daarnaast volg ik ook tags als ‘cats’, ‘rescuecats’, ‘fostercats’ en kom zo terecht in een wereld van mensen die zorgen voor katten die de weg kwijt zijn geraakt, gedumpt, gevonden, ziek, verwaarloosd en die dan met veel liefde en toewijding worden opgelapt. Door mensen die soms aan een organisatie zijn verbonden zoals een lokale dierenbescherming of zelf iets zijn gestart.

Soms kost dat oplappen duizenden euro’s, omdat kitten Tigger iets heeft dat tibial hemimelia heet, kitten Charlie tegen een muur is gesmeten waardoor er iets naars met zijn ruggengraat is gebeurd maar hij nu ook onverklaarbare hoge koorts heeft dat waarschijnlijk wordt veroorzaakt door een enge bacterie en had zwerfkat Tygurr vorig jaar een enorm levensbedreigend abces.

M. houdt ook van beesten. Dus geven we maandelijks aan een paar goede doelen die met dieren te maken hebben. Maar omdat de goede doelen die ik wil steunen zich razendsnel vermeerderen (dat krijg je ervan als mensen hun katten niet castreren/steriliseren) en M. begrijpelijk genoeg niet al zijn geld daaraan uit wil geven, betaal ik het meeste van mijn eigen geld.

Elke maand als ik mijn zakgeld op mijn eigen rekening gestort krijg, verdeel ik het. Want zonder mij red Charlie of Tigger het niet. Zo voelt het, ik voel me betrokken. Het is hetzelfde gevoel van waaruit ik Dibbes en Gerrie van straat plukte en honderden euro’s uitgaf om ze op te lappen. Als ik niet ziek zou zijn, zou ik de Nederlandse ‘Hope for Paws’ worden. Wat zeg ik, ik zou de ‘Vrolijke West-Friese Pootjes’ oprichten waar alle zielige katten terecht kunnen. En dan zou ik ook foto’s op Instagram plaatsen van alle beesten die ik gered heb. Tot die tijd plaats ik maar tot vervelens aan toe op mijn Instagram foto’s van Dibbes en Gerrie die ik daadwerkelijk heb kunnen redden en steun ik financieel anderen waar ik kan. Want meer katten komen er niet in hier. Er schijnt een bordje op de deur te hangen met ‘vol, wachttijd ca. 10 jaar’.

Dat ik langzaam afglijd naar een financieel zorgwekkende toestand, besef ik. Ik volg nu ook zielige geredde eekhoorntjes. Waarvan er bij eentje zijn voorpootjes moesten worden geamputeerd. Misschien moet ik een zakgeldverhoging gaan regelen.

Vier katten en een muis

afb. Pixabay/Robert Owen-Wahl

Het is avond.
We zitten op de bank.
Kijk een muis!
Waar?
Daar!

Best bijzonder.
Een muis in een huis met vier katten.
Tijd voor een goed gesprek.

‘Moos, we hebben een muis!’
‘Ja,en?’
‘Nou, euh, wat dacht je van doe-je-ding?’
‘Wel wat beledigend hè, de aanname dat ik zoiets op commando doe.’

Ik druip af.
Misschien heb ik meer succes bij Smoes.

‘Smoes, we hebben een muis!’
‘Ja en? Ik ga nu eerst een dutje doen.’
En meteen reageert hij nergens meer op.
Smoes! Die vogels uit de lucht plukte en muisjes ving.
Maar dát was in zijn jonge jaren.

Dibbes dan maar!

‘Dibbes, we hebben een muis!’
‘Een muis? Wat wil je dat ik daar mee doe? Weet je zeker dat het geen roerei is? Dáár heb ik trek in. Roerei, heb je roerei?’

Gerrie! Mijn rots in de branding. Mijn laatste hoop.

‘Gerrie, we hebben een muis!’
Gerrie kijk me verschrikt aan.
‘Een muis! Wat moet ik daar mee? Vangen? Wil jij dat ik een muis vang? Nu? Dát had je niet verteld toen je me adopteerde, dat muizen vangen erbij hoort! Dan was ik namelijk helemaal niet-nooit-niet hier komen wonen. Echt niet! Ik ben weg!’

Pas na veel suswerk kan ik Gerrie ervan weerhouden zijn knapzakje te pakken.

Een muis!
We hebben een muis in huis.
En geen kat die er wat aan doet.

Kattentaal

Gerrie vindt het ook een interessant boek

Als ik de overloop oploop, zie ik de buurkat ongegeneerd gapend uit de werkkamer lopen. Dát was een fijne dut. Het mislukt om hem het huis uit te werken want hij gaat net buiten mijn bereik onder het bed zitten. Later rennen we rondjes om de eettafel en om de gitaar van M. heen en dan, nadat ik het heb opgegeven, verlaat hij het strijdtoneel met opgeheven hoofd op een door hem gewenst moment.

Wat dacht ik toch, ik zou beter moeten weten, van een kat verlies je altijd.

Omdat de buurkat ons zo frequent terroriseert, denken onze katten dat het normaal is. Het huis is schijnbaar een doorgangsstation van ongewenste vreemdelingen. Als je als tactiek altijd de andere kant opkijkt, heb je er bijna geen last van. Bijna. Naast deze kat komen er ook twee andere katten af en toe buurten. Echt leuk vinden ze het niet. Maar om nu in beweging te komen en het vreemde volk te verjagen?

Over katten gesproken, ik lees een interessant boek nu: I love happy Cats. Handleiding voor een gelukkige kat, van kattengedragstherapeut Anneleen Bru. Het boek werd me aangeraden door onze dierenartsassistente die ook kattengedragstherapeut is, toen we het hadden over het gedrag van Dibbes en Gerrie. Je kunt weinig verwachten van katten die zo lang op straat hebben geleefd. En vooral Gerrie begrijp ik soms niet. Hij laat zich nog steeds moeilijk benaderen en is regelmatig gestrest en ongelukkig. Ik zou graag willen weten hoe ik hem zich veiliger kan laten voelen.

De huiskat van tegenwoordig stamt af van de Noord-Afrikaanse wilde kat, een solitaire jager. Deze wilde kat ontwikkelde een heel scala aan gedragingen en manieren van communiceren om te overleven in verschillende omstandigheden. De huiskat beschikt nog steeds over ditzelfde pakket aan gedragingen en overlevingsmogelijkheden en daar heb je dus meteen het probleem. De van oorsprong alleen levende kat, leeft tegenwoordig op een oppervlak dat veel kleiner is dan wat zijn voorouder tot zijn beschikking had én vaak in een groep, omdat baasjes denken dat het gezellig is voor Flip als hij een vriendje krijgt. Dat levert dus stress op.

Katten zijn sowieso stressgevoelig. Ze zijn klein, kwetsbaar en daarom meestal conflictvermijdend. Sociaal contact anders dan paren zit niet echt in het genenkoffertje. Een kat voelt zich snel bedreigd en veel van hun gedrag komt daaruit voort. Uit voorkomen dat ze ontdekt worden, denk aan het begraven van de poep, zodat een vijand die niet ruikt. Denk aan het schrapen rond de etensbak, dat een verwijzing is naar het begraven van eten, om dezelfde reden. Katten zijn om dezelfde reden enorme routinedieren: elke dag of zelfs meerdere malen per dag hetzelfde loopje doen, om te scannen of alles nog wel klopt. Om die reden zijn ze ook snel gestrest als iets afwijkt of verandert, want dat betekent vanuit hun genenpakket bedreiging. En dat laatste is natuurlijk nogal eens het geval in een huishouden met mensen en meerdere katten want daar verandert regelmatig iets.

Om zich veilig te voelen moet een kat zoveel mogelijk keuzes hebben. Keuze waar hij slaapt, eet, jaagt, speelt. Meerdere verstopplekken in een huis. Er moet veel keus zijn want de plekken wisselen voortdurend, afhankelijk van de gevoelde bedreigingen. Zeker als er andere katten in huis zijn. Door middel van geursporen communiceren ze met elkaar, verdelen ze de plekken om de harmonie te bewaren. Zo zie je hier vaak dat ze om en om in hetzelfde kistje liggen te slapen, dan ligt Dibbes er in de ochtend in en Smoes in de middag. En zeggen ze met hun achtergelaten geuren als het ware ‘ik was hier vanmorgen, doe jij dan nu je ding, dan kom ik vanavond weer terug’.

Er staan veel leuke feitjes in het boek. Dat bijvoorbeeld kont aan kont liggen niet betekent dat ze elkaars gezelschap opzoeken, maar dat ze beiden op dezelfde plek willen liggen en elkaar dus om wille van de plek tolereren. Liggen ze met de koppen naar elkaar toe, dan hebben ze elkaar wel opgezocht. Dan gaat het niet om de plek maar om het gezelschap.

Niet alles is logisch in mijn ogen. Bru schrijft meerdere malen dat katten het vaak niet plezierig vinden om geaaid te worden. Een kattenvacht het is extreem gevoelig en het zou pijnlijk aanvoelen. Nu heb ik in de 30 jaar dat ik katten heb blijkbaar alle uitzonderingen getroffen want ik heb aaiverslaafde katten. Mits ik het doe op een door hen gewenst moment.

Of ik Gerrie nu beter begrijp weet ik niet. Het probleem met Gerrie is dat hij zelf de onderlinge signalen ook nooit heeft leren interpreteren. Dus hij benadert de andere katten vaak op de verkeerde manieren en vangt de signalen niet op dat contact niet gewenst is.

Andersom is hij naar mij toe extreem aanhankelijk maar o wee als ik hem verkeerd aanhaal. Of nies. Of kuch. Hij blijft ook na 4 jaar nog extreem schrikkerig. En ik geloof dat het beste wat we kunnen doen, is hem accepteren zoals hij is. Binnen de mogelijkheden die hij heeft, is hij best gelukkig.

 

Ben je een kattenliefhebber dan is het boek aan te raden. Minpunten vind ik de beroerde opmaak (een absurd groot lettertype afgewisseld met blokken tekst in hele kleine iele lettertjes in lichtgroen of lichtoranje vind ik echt niet leesbaar) en het feit dat Bru uit België komt en ik wel wat moeite had met het Vlaams. Dat is natuurlijk wel jammer aangezien mijn vader in Antwerpen geboren is, maar verder dan de centrifuge een droogzwieper noemen ging de Zuid-Nederlandse taalopvoeding niet.