Vandaag

Om te zorgen dat ik daar minimaal last van heb, ben ik vanmorgen op mijn scooter geklommen en het huis uit gevlucht. Want als er iets mij totaal van de rel brengt, is het geklus in huis. En erger nog, te moeten communiceren met klussers. Die natuurlijk niet weten dat ik het merendeel van de tijd doorbreng in pyjama of in joggingbroek en dat een gewoon kletspraatje met vreemden mij compleet onderuit kan halen.

Dus kan ik twee dingen doen op dat soort dagen: doen alsof ik een normaal mens ben en aangekleed en wel de klussers te woord staan, van koffie voorzien en de rest van de week platliggen. Of richting mijn moeder vertrekken die me kopjes thee brengt en met rust laat, zodat ik geen terugslag krijg.

Ik koos voor het laatste en gelukkig is M. nu thuis om te zorgen dat alles goed verloopt. Neemt niet weg dat ik me op afstand enorm druk ga maken. Niet over dat raam maar over de katten. Want net als hun mens zijn zij natuurlijk het huis uit gevlucht. En duurt het uren voor ze weer naar binnen durven te komen. Vooral Dibbes heeft een goed ontwikkeld gevoel voor drama. Niet heel vreemd gezien zijn heftige verleden. En dáár maak ik dan weer druk om. Dat ik er niet ben om ze mentaal te steunen. Tja, zo is er altijd wel wat.

Het doel van deze week is vandaag goed te doorstaan en zoveel mogelijk voor te rusten voor vrijdag. Dan ga ik naar de orthomoleculair therapeut en hoor ik wat de vervolgstappen zijn naar aanleiding van het laatste bloedonderzoek. Daar is wel het één en ander gevonden weet ik, dus ik kan niet wachten!  Ik loop nu door stroop en snak naar iets meer energie. Ze heeft me zo enorm geholpen met mijn darmproblemen, het zou fijn zijn als ze de rest ook iets weet te verlichten. Ik hoop dat het allemaal lukt want ik ben wat grieperig terwijl ik dit schrijf. Duimen maar dat dit niet doorzet.

Fijne week allemaal!

In je kracht staan

afbeelding Pixabay/ Mohammed Hassan

Ooit was ik een ‘hemelfietser’ zoals sommigen dat noemen.  Zo lang als ik me kan herinneren werd ik aangetrokken tot het alternatieve ‘geitenwollen sokken’ leven. Dat begon tijdens mijn puberteit met een hevige fascinatie voor Hare Krishna volgelingen, als ik die wel eens zag tijdens een dagje Amsterdam. Zó blij, allemaal hetzelfde oranje gewaad aan, totaal wereldvreemd zijn, héérlijk leek me dat. Wat volgde waren jaren van meditatieclubjes, verbeter- jezelf-boeken lezen en veel wierook branden.

Inmiddels ben ik daar van teruggekomen. Mijn ervaring tijdens mijn opleiding tot massagetherapeut – vlak voor ik ziek werd – betekende een omslag. Ieder zijn meug maar ik merkte dat ik veel te nuchter ben om me onder te dompelen in de spirituele golven van het universele bewustzijn. Ik bén geen boom met wortels in de grond en wil me dat ook helemaal niet voorstellen.

Massagetherapie is therapie via het lichaam. Door het ontvangen van een massage kunnen er emoties omhoog komen en blokkades doorbroken worden. En dát sprak me toen aan. Gemasseerd worden is geraakt worden en het leek me een mooie subtiele manier om met mensen te werken. Dus deed ik een introductiecursus, raakte enthousiast en ging een 4-jarige opleiding tot massagetherapeut volgen.

Dát was een grote ontdekkingstocht. Want als masseur moest je ‘in je kracht staan’. We leerden niet alleen alles over het menselijk lichaam en hoe dat aan te raken maar ook over hoe aandacht te geven zonder dat je je in de ander verliest, hoe je grenzen te bewaken en hoe om te gaan met emoties die los kunnen komen tijdens de massage.

Tijdens de opleiding waren we telkens een heel weekend van vrijdagochtend tot zondagavond van huis. We zaten totaal afgesloten van de normale wereld in een eigen universum in de bossen, waarbij we eerst onszelf moesten vinden voordat we op professionele wijze therapeutische massages konden gaan geven. Nou wás dat nogal een zoektocht daar in die bossen, want nogal wat klasgenoten waren behoorlijk de weg kwijt.

Het eerste schooljaar was geweldig, veel geleerd en veel gelachen. Het tweede schooljaar daarentegen…De helft van de lessen bestond uit emotioneel-lichaamswerk, een therapeutische methode waarbij je met lichaamsoefeningen, stem- en ademhalingsoefeningen, ontspannings- en ontladingsoefeningen wat over jezelf leert, weet welke hindernissen er zijn die voorkomen dat je tot je kern doordringt en hoe je die hindernissen te boven kan komen.

Tot zover de theorie. De praktijk was dat ik geblinddoekt mijn emoties in een stuk klei moest proppen terwijl links en rechts van mij klasgenoten zó hard stonden te huilen dat ik hun emoties in die klei duwde in plaats van de mijne. Dat ik zo hard tegen een matras moest trappen dat ik de rest van het weekend niet meer normaal kon lopen. En dat mijn gegil voor de groep – ‘vind je oerstem Martine, kom op, je kunt het!’ – weliswaar applaus opleverde maar een beetje normaal praten kon ik daarna niet meer.

Als ik al iets leerde over mijn kern en wat me hinderde, dan was het toch wel dat ik me niet vrij voel ook maar iets te uiten in een groep mensen als bijna iedereen staat te huilen en in zijn eigen trip zit.  Zeker niet als dat huilen ook nog eens de ongeschreven norm is.

Voor mij was het één grote ver-van-mijn-bedshow. Eentje die ik bovendien als behoorlijk gewelddadig heb ervaren. Het voelde onveilig. Er werden daar heel wat grenzen – fysiek en mentaal – geforceerd en genegeerd. Al dat getrap, gekrijs en gemep maakte helemaal niet dat ik in mijn kracht leerde staan, want ik klap dicht in dat soort situaties. En dat wist ik bovendien al.

Bovendien bleken er allerlei ongeschreven regels te zijn waar ik niet aan kon of wilde voldoen. Hoe harder het gekrijs en gejank, hoe dieper blijkbaar de emotie. Als je als een lege zak botten totaal vertwijfeld achterbleef op je meditatiematje, kreeg je te horen dat het fantastisch was dat je ‘zo tot de bodem was gegaan’. ‘En hoe voel je je nu?’ ‘Als nieuw, bevrijd, heel licht!’ Waarna we weer overgingen naar de volgende oefening. Elke niet doorleefde emotie uit je hele voorgaande leven werd er daar in een weekend als het ware uitgeperst. Maar geforceerd moeten uiten is niet hetzelfde als verwerken. Voor mij dan.

Dat het onveilig voelde kan aan de docent hebben gelegen. Maar wellicht ook aan de aard van de opleiding en de mensen die daar op afkwamen. Veel studenten waren zoekende – ik natuurlijk ook – en hadden een goede therapeut nodig in plaats van dat ze een opleiding volgden. Achteraf gezien was het best curieus dat ik een massageopleiding deed terwijl degene die het hardst een massage nodig had, ikzelf was.

In het derde jaar ben ik na het tweede lesweekend gestopt. Aan het einde van een lang lesweekend eerst een half uur al je klasgenoten moeten knuffelen en ‘Namasté’ zeggen voor je weg mocht gaan, terwijl ik gewoon zo snel mogelijk terug wilde naar mijn peutertje omdat ik heimwee had. Ik was er helemaal klaar mee. Bovendien was ik ook helemaal op, voortdurend moe – een voorbode van de ME/CVS die een half jaar later de kop opstak – maar dát mocht niet gezegd worden want dat was te negatief. Het om het weekend weg zijn van huis, brak me op.

Dus ben ik lekker ‘in mijn kracht gaan staan’ door er het mijne van te denken. En al die ‘contacten voor het leven’ die ik daar opdeed? Al die mensen met wie ik al die heftige momenten heb gedeeld? Nooit meer gezien. Misschien hebben ze niet eens gemerkt dat ik gestopt was. Te druk met zichzelf ontdekken denk ik.

De week

Op zich voelde ik me die dag niet eens zo slecht. Maar waar ik niet op zat te wachten was wéér een activiteit doen waar ik zeker vijf dagen van bij moet komen. In die trip zit ik al een paar maanden. Beter dat nu dan overslaan en iets van reserves kunnen bouwen zodat ik uit het gedoe van de ene dag douchen en de andere dag koken kan komen.

Het enige wat ik deed buiten de dagelijkse routine was even naar de bibliotheek om een boek dat moest worden ingeleverd, terug te brengen. Ook ging ik onderweg naar de bieb langs de huisarts om de uitslagen van bloedonderzoek op te halen, dat heb ik nodig voor de vervolgafspraak bij de orthomoleculair therapeut. Ik zag al wel dat ik veel te laag in vitamine D en ijzer zit. Niet raar dat ik me zo uitgeput en duizelig voel – meer dan anders – dit najaar.

Dit weekend gebeurde er iets wonderlijks. Mijn stukje van zaterdag werd gelezen door duizenden mensen. Ik bereikte via FB meer dan 7500 mensen! De statistieken van mijn blog vlogen dit weekend enorm omhoog. De link is meer dan 60 keer gedeeld. Iemand van de ME/CVS vereniging nam zaterdag contact met me op en vroeg of zij het ook op hun Facebookapagina mocht plaatsen en vandaar uit is het weer verder gedeeld.

In mijn Spaarcentjetijd heb ik regelmatig meegemaakt dat ik grote aantallen bezoekers had. Maar toen schreef ik over omgaan met geld, een onderwerp dat goed ligt bij veel mensen. Een moeilijker onderwerp als chronisch ziek zijn wordt minder vaak goed gelezen. En dat snap ik wel. Vaak als ik iets schrijf over ME  kost me dat bovendien wat volgers en lezers, zowel van het blog als via FB. Dus dit was echt heel bijzonder. 

Mijn bericht werd door patiënten gedeeld op hun eigen tijdlijn vaak met de opmerking ‘zo is het precies!’ Waarom ik daar zo blij mee ben? Omdat elke persoon die we bereiken – en weten te raken – telt. Elk mens dat zijn vooroordelen herziet over ME is er eentje. Zo kunnen we heel langzaam de publieke opinie ombuigen en wordt de weg vrij gemaakt naar biomedisch onderzoek en passende zorg. Dus nu ineens zó veel mensen bereiken, ook mensen die ik anders nooit bereik, dat deed wel iets met mij. Actievoeren vanaf de bank noem ik dat 😊 .

Over naar normaal: komende week heb ik woensdag een afspraak met een oud-collega en ga ik op vrijdag naar de fysiotherapeut. Verder alleen de gewone dingen, zoals de huishoudhulp en mijn moeder die komt koken. Geen drukke bedoening dus. De week daarna wordt een kapot dakraam vervangen en moet ik naar de orthomoleculair therapeut. Van beide activiteiten in die week zal ik daarna flink bij moeten komen dus plan ik deze komende week verder niets extra’s. Beetje lezen, beetje schrijven, beetje koken. Zo lang ik maar van alles iets kan doen, is het goed.

Schoonmaakwerk

Tijdens mijn middelbare schooltijd en studententijd heb ik meerdere bijbanen gehad. Ik pakte waxinelichtjes in bij Verkade,  werkte als kokkin voor een bejaarde heer, als kassamedewerker bij een tuincentrum, als telefoniste bij een 06-lijn (vraag maar niets 😉 ) en als schoonmaakhulp bij bejaarden.

Omdat het me wat opbrak om bij het tuincentrum te werken – ik woonde in Amsterdam en werkte in de weekenden bij Tuincentrum Koelemeijer in Wormer – solliciteerde ik naar de functie van Alphahulp voor bejaarden. Ik werd aangenomen en kreeg een strikte lijst van uit te voeren werkzaamheden mee van wat ik wel en niet mocht doen voor de bejaarden.

Niet dat die bejaarden zich daar ook maar iets van aantrokken. Ik stond bij min 5 graden buiten ramen te lappen en werd ook ingezet om de tuin te snoeien of een slaapkamerwand te schilderen. Ik vond het allemaal best. Natuurlijk maakte ik ook wel het huis schoon. Maar de belangrijkste taak was toch wel het aanhoren van hun verhalen.

Ik had twee adresjes: bij mevrouw Frie en mevrouw De Jong. Ze waren al eind tachtig toen ik zo eind jaren tachtig voor hun werkte dus ik verwacht dat ik hun privacy niet schend, gezien de grote kans dat ze al jaren geleden zijn gaan hemelen.

Mevrouw Frie had ook nog een meneer Frie maar die overleed de dag nadat ik daar voor het eerst was geweest. Ik ga ervan uit dat er geen oorzakelijk verband was. Werd ik de eerste week nog verwelkomd door een echtpaar op leeftijd, de week erop trof ik een kersverse weduwe aan die meteen aangaf niet meer open te staan voor een nieuwe liefde. Het kunstgebit van meneer Frie op het nachtkastje had ze nog net kunnen verdragen maar wennen aan een nieuw kunstgebit en de eigenaar daarvan, nee dáár begon ze niet meer aan.

Zij was een ijskonijn. Weinig hartelijk en behoorlijk streng. Ze had een zoon maar die zag ze nooit en het merendeel van het gemopper ging dan ook over hem als ik daar was. Des te blijer verrast was ik toen ik daar op een middag kwam en ze taart voor me had. Ze was jarig geweest en had twee gebakjes, één voor mij en één voor haar. En net toen ik na anderhalf uur poetsen pauze mocht nemen, mijn mond open deed en er een hap gebak in wilde schuiven, werd er aangebeld. Ik deed open, het was de zoon, de uitvreter, het stuk ellendeling, de ontrouwe hond. Hij werd door haar als een koning onthaald.

In de tijd die ik nodig had om de beste man naar binnen te laten had zij mijn gebakje naar zich toe geschoven, wierp me een dwingende blik toe en zei dat ik vooral door moest gaan met schoonmaken maar dan buiten de woonkamer. Zij ging een gebakje eten met haar zoon. 

Mevrouw de Jong was een stuk hartelijker. Leefde al jaren alleen, had weinig geld en kwam maar moeizaam rond maar was enorm gul, zowel in aandacht als in kleine gebaren. Elke keer wanneer ik daar kwam stond er een bakje met rode besjes voor mij klaar, van die zure waar je hele bek van samentrekt. Zo lief. Die werden gelukkig bedolven onder een paar flinke scheppen suiker. Ik heb haar nooit durven vertellen dat ik niet van rode bessen hield.

We ruimden samen haar huis op en gingen door al haar spullen. Ze wilde niet dat iemand na haar dood alles moest uitzoeken. Dat voelde ook als een inbreuk op haar privacy. Dus zochten we alles uit, deden veel weg en heel soms mocht ik iets meenemen. Dat hield ik af, het is natuurlijk niet de bedoeling dat je als Alphahulp cadeaus aanneemt – voor je het weet word je beschuldigd van het leegplukken van bejaarden – maar tegen een helblauw minitheepotje kon ik toch geen nee zeggen. Daar genoot ik jaren van tot een kat het omstootte.

Ze was wel wat precies en pietluttig. Maakte ik de badkamer schoon, dan stond ze achter mij aanwijzingen te geven. Ze leek wel een richting aanwijzer – nu wat naar links, ja dat stukje daar – maar dat was eigenlijk het enige nadeel aan haar.

Ik heb het niet heel lang volgehouden. Het betaalde slecht en toen ik via een vriendin de kans kreeg kokkin bij een bejaarde heer te worden, sprak me dat veel meer aan. Ik ben nooit een poetswonder geweest, koken daarentegen…

(Afbeelding Pixabay)

De week

Tja, de week liep totaal anders dan gewenst en gepland. Ik zou donderdag naar een begrafenis gaan maar een kapotte WC op woensdag stak daar een stokje voor.  Dat leert me weer dat ik wel van alles kan bedenken over rust en regelmaat maar dat het uiteindelijk om mee zwemmen met de stroom gaat.

Toch was zeker niet alles kommer en kwel. Ik werd behoorlijk verwend met cadeaus en lieve acties deze week. Ik kreeg sokken van een vriendin die ze zelf omschreef als vertederend fout. Dat vindt Gerrie ook, die schrikt zich telkens een ongeluk als ik ze aan heb maar lekker warm zijn ze wel! Helaas is hij zó van de rel als ik ze draag dat ze weer retour naar de gulle gever gaan.

Van bloglezeres N. kreeg ik zomaar twee boeken opgestuurd omdat ze daar zin in had. Zo leuk. Ik ga ze snel lezen!

We zijn de trotse eigenaars van een nieuw toilet. Een onverwachte aderlating van €600 (toilet plus installatiekosten) maar het uiteindelijke resultaat is wel fijn. Vooral fijn dat we weer een WC hebben die het doet.

M. was vrij vrijdag en was zo lief me naar de fysio te brengen. Ik was te moe om me te bewegen – tegen die moeheid kon de magische scooter niet op – dus hobbelde ik naar de auto en vanuit de auto hobbelde ik naar de behandelbank van de fysio. Daar deed ze haar magische ding wat ze altijd doet als mijn zenuwstelsel volledig van slag is en ik voelde toen ik weg ging dat mijn lijf en brein weer tot rust kwamen.

M. en S. gingen vrijdagavond met mijn moeder, zus en nichtje uit eten. Toen ze terugkwamen brachten ze een cadeautje van mijn moeder voor mij mee. Een super zachte warme wintersjaal waar ik heel blij mee ben.

Komende week is de agenda leeg op een eventueel uitje woensdagavond na. Wij hebben kaarten voor Ellen ten Damme. Ik weet eerlijk gezegd nog niet of ik meega. Zoals ik me nu voel zeg ik nee maar wie weet verandert dat op de dag zelf. Ik hoorde wat fragmenten van deze show (‘Paris Berlin’ ) en eerlijk gezegd sprak het me niet zo heel erg aan. Tijdens het kaartjes kopen voor dit theaterseizoen kochten we sommige dingen op de gok. Dat pakt meestal wel goed uit, Sara Kroos kenden we ook niet echt maar vonden we heel erg de moeite waard.

De mannen gaan regelmatig naar de Schouwburg en concerten – ze hebben bijna elke maand wel een uitje – en ik probeer twee keer per jaar ook met ze mee te gaan. Maar nu twijfel ik of ik daar mijn energie aan wil gaan uitgeven. Ik snak eerlijk gezegd naar even gewoon de dingen van alledag kunnen doen zonder dat ik moet bijkomen van weer een groot ding.

Nou, ik zie wel. Voor nu een fijne week allemaal!

Klussen

Toen ik M. leerde kennen blonk hij niet uit in kluservaring. Hij weet veel van muziek, bier en exotisch eten maar op het gebied van verbouwen en klussen had hij wat minder kennis. Laat staan dat hij iets kon maken. Voor mij was dat even wennen aangezien mijn vorige vriend meubelmaker was en ik behoorlijk verwend was op dat gebied.

Des te trotser ben ik nu op M. Hij heeft de afgelopen jaren door veel uit te zoeken en uit te proberen zichzelf hout bewerken eigen gemaakt. Hij maakte een prachtige TV-kast, stripte onze keuken en bouwde deze weer op samen met kennis G., betegelde de keukenmuren en maakte en passant van rest materiaal een kruidenkastje en een handig opstapkrukje.

Terwijl ik dit schrijf is hij bezig met kitten. Projecten afmaken gaat hier vaak niet heel soepel en dat moest nog steeds gebeuren 😉 . Dat komt ook door mij, vaak krijg ik spontaan uitslag als hij het woord klussen in zijn mond neemt. Maar ook gewoon door het leven, dan komen er weer andere dingen voorbij fietsen die op dat moment urgenter zijn.

Maar goed, de afgelopen weken heeft hij hard gewerkt om wat niet afgewerkte randen in de keuken af te werken, een deurtje op maat te maken, een vensterbank te maken en nu dan de randen tussen aanrechtblad en de tegels te kitten. Het gaat echt om de puntje op de i zetten nu en het resultaat is prachtig.

Tegelijkertijd was hij bezig op zolder. De eerste door hem te maken kast voor S. is klaar, een cd- en game/dvd-opbergkast. Hij hoopt dit weekend dan te kunnen beginnen met een kledingkast voor S. Die is dan hopelijk klaar voor het volgende project begin november: het vervangen van het grote tuimelraam op zolder bij S. Dat laten we doen.

En dan zijn we wat mij betreft dit jaar klaar met klussen. Andere projecten zijn beneden in de huiskamer schilderen, de luxaflex die kapot is vervangen en de stopcontacten verplaatsen naar een minder in het oog springende plek. Maar eerst even een tijd rust in huis en ook weer wat geld opzij zetten voor dit alles.

Als jij mij wel kent maar ik jou niet

Een paar dagen geleden schreef Mariimma een treffend stuk over hoe sommige mensen reageren op het wel of niet krijgen van een wachtwoord voor de beveiligde delen van haar blog.

Een paar weken geleden publiceerde ik een beveiligd stuk waarin ik de reden heb uitgelegd waarom ik voortaan sommige artikelen achter een wachtwoord plaats. Dat is natuurlijk door veel mensen niet gelezen want:
a) niet iedereen vroeg mijn wachtwoord
b) niet iedereen kreeg mijn wachtwoord

Uit het artikel van Mariimma begreep ik dat zij iedereen die haar wachtwoord vraagt een mail stuurt met een ja of een nee en dat sommige nee-ontvangers vervolgens met haar in discussie gaan. Wat daar achter zit vermoed ik, is het niet begrijpen van de vrager dat wij als bloggers ons soms kwetsbaar voelen omdat we meestal niet weten wie onze lezers zijn. Een nickname en vals mailadres is immers snel gemaakt.

Ik was geloof ik wat onbeleefder bij het afhandelen van de aanvragen. En dat scheelde discussies. Ik heb gewoon niet gereageerd op mensen die het wachtwoord vroegen en waarbij het voor mij niet goed voelde. Alleen een paar mensen die ik persoonlijk ken en afwees heb ik een afwijzing met een – volgens mij – nette motivatie gestuurd. 

Veel mensen gaf ik het wachtwoord wel. Omdat ik ze ken als lezer die vaak reageert of omdat er een persoonlijk lijntje is. Soms kende ik ze niet maar kropen ze voor het eerst uit hun hol door het wachtwoord te vragen en gaven ze mij een enorme persoonlijke inkijk in hun leven. Maar vaak was het toekennen ook gewoon een kwestie van een onderbuikgevoel.

De groep vragers die in de afwijzingen viel bestond voor een deel uit lezers die op een heel vreemde manier om het wachtwoord vroegen, vind ik dan toch. Wachtwoord!!! in de aanhef zetten en verder niets aan tekst en geen ondertekening stimuleert niet echt om wildvreemden inzage te geven tot de meer persoonlijke stukken! Ik vraag me ook serieus af hoe het er bij die mensen thuis aan toe gaat. Ik zie ze zitten aan tafel, gillend naar elkaar: ZOUT!! 

Geen gepersonaliseerd mailadres hebben is voor mij ook vaak een reden tot afwijzing. Het wordt me dan te onduidelijk of te vaag. Het voelt niet prettig een wachtwoord te sturen naar een mailadres waarbij uit niets blijkt wie daar achter zit. Zeker niet als de aanvrager met dat mailadres ook nooit een reactie achterliet op mijn blog. Want dat heb ik in die gevallen ook gecontroleerd, dat gaat heel makkelijk in WordPress. Kende ik de aanvrager als lezer, heeft iemand wel eens gereageerd? Dan is een vreemd niet gepersonaliseerd mailadres voor mij minder eng. Het voelt minder onbekend. Maar dat is natuurlijk een gevoel en geen wetenschap. Ook die leuke Miep die positief reageert kan eigenlijk mijn buurman zijn die stiekem meeleest.

Onlangs mailde een lezeres mij en vroeg om het wachtwoord. Haar mailadres was een niet te herleiden msn-mailadres met een schuilnaam. Haar mail was prettig van toon en ik dacht ‘kom laat ik eens vriendelijk zijn‘ en mailde terug dat ze best mijn wachtwoord mag hebben maar dat ik dat liever niet stuur naar een niet gepersonaliseerd mailadres. 

Ik kreeg als reactie dat dit msn-adres bedoeld was voor Social Media en dat haar privé mailadres privé bleef. Ze rekende op mijn begrip in deze.

Huh? Ik viel van mijn stoel af en keek eronder. Ja hoor, dáár lag mijn verbazing, naar adem te happen.

Mijn mail terug had de boodschap dat het dan niet doorgaat omdat ik veel bloot geef en op zijn minst mag verwachten dat een lezer in ruil bereid is iets van zijn of haar anonimiteit op te geven.

Het retour antwoord was voor mij nóg wonderlijker: weliswaar  weer heel vriendelijk van toon – maar ondertussen – werd de bal terug gekaatst dat de naam Martine B en mijn aanminofmeer@gmail.com ook een soort van anoniem zijn.

Dit is dus iemand die er niets van begrijpt. Als je mijn blog al langer leest dan weet je zo’n beetje alles van mij. Door sinds 2010 te bloggen heb ik mijn anonimiteit opgegeven. Anoniem bloggen is namelijk een illusie. Hoewel ik mijn eigen complete naam hier nooit zal vermelden weet de oplettende lezer heel veel van mij. Van de hoogte van mijn hypotheek, mijn ziektegeschiedenis, mijn kattenobsessie, mijn boekenliefde, mijn frustraties en voorkeuren, mijn naam en die van mijn vriend en kind tot waar ik woon.

Ondanks dat ik op dit blog nooit mijn adres heb vermeld, hebben bloglezers toch kunnen achterhalen waar ik woon en bezoekjes aan huis gebracht en dingen voor mij achtergelaten. Dat kan heel positief uitgelegd worden (wat leuk dat ze die moeite doen) maar ook negatief (dat komt wel erg dichtbij, best eng). Ik kan me daar kwetsbaar onder voelen want niet iedereen is mij gunstig gezind. Dat verwacht ik trouwens ook niet.

Mijn wachtwoord willen, niet je eigen privé mailadres willen delen en mij vervolgens verwijten dat ikzelf ook anoniem blijf, getuigt van een enorm gebrek aan inlevingsvermogen hoe het is voor ons bloggers als we schrijven over ons leven.

Sinds ik begon met bloggen kreeg ik ongeveer 35.000 reacties (zie ik in de statistieken). Sinds ik op WordPress zit (sinds januari 2017 geloof ik) werden er ongeveer 1500 reacties afgekeurd, die werden dus niet geplaatst. Het merendeel daarvan was spam en werd automatisch afgekeurd door de blogbeveiliging. De rest keurde ik zelf af en bestond voor een deel uit “idioten die niet beter weten”. Een kleiner deel bestond uit klote reacties die echt bedoeld zijn om te kwetsen.

Ik kreeg de afgelopen jaren duizenden leuke, lieve, ontroerende, opbouwende, kritische, meedenkende en soms hilarische reacties. En ik kreeg dus ook rot reacties. Bedoeld om te kwetsen. Sommigen werden daar zó blij van dat ze mij gingen mailen. Lekker doorgaan met kwetsen, leuke hobby hoor! Me proberen te pakken op mijn zwakke plekken, want die menen mensen te kennen als ze zo lang mee lezen.

Erg? Niet meer. Ik heb er veel van geleerd. Ik laat tegenwoordig veel van me afglijden. Verwonder me soms over de haat of emoties die ik weet op te wekken en zie veel als stof voor een blogje.

Waarom toch blijven schrijven? Omdat ik geloof in openheid en de kracht van kwetsbaarheid. Omdat ik heel blij ben met die mensen die mij mailden en zeggen dat ze door mijn stukken over ME iets bij zichzelf herkenden of hun partner en daardoor best snel een correcte diagnose kregen. Dat ze niet zoals ik jaren hebben moeten leuren van arts naar arts. Dát geeft mij voldoening. Zo kan ik iets betekenen.


Ook word ik blij als ik mensen aan het lachen maak, soms aan het denken zet, ze door mij wellicht iets meer snappen hoe het is om te leven met ME/CVS. Ik word heel blij van de reactie van een lezer die vertelde bang te zijn voor katten maar door mijn stukjes iets meer te begrijpen van die best ondoorgrondelijke beesten. Ik geniet als mensen mailen of reageren en vertellen wat mijn woorden soms teweeg kunnen brengen.

Tot slot vind ik schrijven natuurlijk gewoon heel leuk. Anders hield ik het ook niet vol om vanaf 7 december 2010 iets meer dan 2000 teksten te schrijven op dit blog. Voor mij is het een doordachte keuze om de weinige energie die ik heb deels uit te geven aan een hobby die me veel geeft. 

Ik giet woorden in tekst en probeer mensen te raken. Het maakt me vaak niet eens uit waarover ik schrijf. Ik schrijf meestal openbaar en soms beveiligd. Omdat ik mij veilig wil voelen. Ik weet niet wie jij bent, maar jij weet wel wie ik ben. En niet iedereen begrijpt blijkbaar hoe dát voelt.

(afbeelding Pixabay)

Niet nadenken maar doen

Jaren geleden was ik met een groep vrienden op vakantie in Frankrijk. In een gebied dat in de winter gebruikt werd om te skiën, alleen wij waren er in de zomer. De Franse Alpen. In de zomer kon je er trouwens ook skiën. Echt gaaf en ook wel bizar, de sneeuw werd papperig zo rond het middaguur en dan lukte skiën niet meer goed.

Maar dit gaat niet over skiën. Daar heb ik niet zoveel over te vertellen. Ik deed het maar twee keer en kan het niet zo goed. Ik ben zo’n type dat dan meegaat voor de gezelligheid, links en rechts een ski-uitrusting leent en dan bovenop de berg denkt  ‘Oh dear, whát was I thinking?’

Dit was vóór ik van de berg tuimelde

Dat dacht ik trouwens geheel terecht want ik ben degene die van de berg aftuimelde, naar beneden gleed en omdat ik een t-shirt met driekwarts mouwen aanhad en een korte broek – het wás immers zomer – haalde ik mijn huid open. Ik had een prachtige toeareg armband gekregen van mijn vriendin die in Afrika was geweest en die armband was niet aaneengesloten. En best scherp. Dus liet ik een mooi bloedspoor achter, daar op die Franse berg.

Nogmaals, dit gaat niet over skiën. Dus neem ik dat woord niet meer in mijn mond. Dit gaat over raften in de Franse alpen. Want deden we tijdens die vakantie vóór het middaguur sportieve winterdingen op latten die kunnen glijden, ná het middaguur gingen we wandelen, zonnebaden en ook een keer raften.

Raften is met een groep mensen in een opblaasboot zitten en dan een best wilde rivier opgaan en proberen er na een tijd weer heelhuids uit te klimmen.

Reisgenoten zijn eraf geknipt ivm privacy. Voor je het weet word je aangeklaagd…

Nadat we ons hadden aangemeld kregen we een helm op, een zwemvest om en een peddel in onze handen gedrukt met daarbij de nadrukkelijke opmerking die peddel nooit los te laten. Maar dan voor de helft ‘en Français’ waar ik nooit goed in ben geweest en de andere helft in onverstaanbaar Engels (denk Allo Allo), maar ik geloof dat ik de strekking wel begreep. Want die opmerking – laat de peddel nooit los – werd elke minuut herhaald. En dat herhalen gebeurde door middel van schreeuwen.

Er werd sowieso veel geschreeuwd. Dachten wij zomaar even de rivier op te gaan? Echt niet, stelletje onervaren toeristen. Eerst oefenen met peddel vasthouden, in de boot springen, uit de boot springen. Als ik zeg JUMP, dan spring je hoor je me! LINKS! RECHTS! JUMP!

Nou heb ik twee grote makkes: ik word heel nerveus als mensen tegen mij gillen én ik ben heel erg doof. Ik hoor vaak wel geluid maar mijn brein maakt er iets anders van.

Na een uur oefenen met de drilaap die ons van alles toegilde gingen we de rivier op. En midden op die rivier gilde die Franse dictator tot mijn grote verbazing – althans, ik dacht toch écht dat ik hem dat hoorde schreeuwen – LINKS! JUMP! 

En daar ging ik. Natuurlijk liet ik meteen mijn peddel los. 

Ik heb nóg een makke. Soms krijg ik de slappe lach. Hoe ongepaster de situatie, hoe harder ik moet lachen. Dus werd ik na veel gedoe – die rivier was best wild – in de boot getakeld en opnieuw toegegild ‘wat-ik-toch-dacht-en-waarom-ik-in-vredesnaam-die-klotepeddel-had-losgelaten-ik-had-nog-zó-gezegd-laat-nooit-de-peddel-los-en-die-zijn-we-nu-kwijt‘-en-waarom-LACH-JE-ZO-DENK-JE-DAT-DIT-SOMS-GRAPPIG-IS!!!!!’

Ja, dát was een wereldvakantie. Al durfden mijn reisgenoten daarna niets meer met mij te doen.




De wachtkamer

Toch heb ik nog steeds een hoog aanspreekgehalte. Was altijd al zo. Toen ik nog rookte en studeerde zat ik vaak op de trappen van het Bungehuis in de Spuistraat een peuk te roken, omdat dat binnen niet meer mocht. Het viel een vriend van mij op dat ik vaker dan anderen werd aangesproken door voorbijgangers om een vuurtje of de weg of om geld. Dus deden we een test. Ik ging telkens op een andere plek zitten. Driekwart van de tijd werd ik aangesproken terwijl er toch zeker zo’n 20 man ook op die trappen zat, aanspreekbaar te zijn. Dát kostte me heel wat sigaretten.

Waar dat aan ligt? Het zal vast met uitstraling te maken hebben. Blijkbaar straal ik uit dat ik een watje ben en geen nee zal zeggen of dat ik makkelijk benaderbaar ben. Dat is nog steeds zo. Zet mij in een wachtkamer en ik ben de vrouw aan wie mensen vertellen dat hun grote teen pijn doet, hun vrouw is weggelopen en hun kinderen in het buitenland studeren.

Dat vind ik niet altijd fijn. Mijn houding straalt blijkbaar uit ; ‘deponeer uw problemen en kletspraatjes hier‘. Mijn hoofd denkt meestal ‘donder op en laat me met rust‘. Dat klinkt chagrijnig en dat is het wellicht ook. Maar kletspraatjes kosten mij vaak meer energie dan ik heb. Als ik ergens naar toe ga is dat vaak een aanslag op de energievoorraad en onverwacht praten is dan vaak nét de druppel die maakt dat ik onderuit ga.

Niet dat ik mensen makkelijk zal afkappen. Ik ben namelijk HEEL AARDIG. Ik zeg niet snel nee en ik zal ook niet snel wegkijken als iemand tegen me praat. Ik ga vaak ook nog geïnteresseerde vragen stellen in reactie op het gesprek en dan weet ik aan het eind toch maar mooi dat begrafenisondernemer een machtig interessant beroep is.

Laatst zat ik in de wachtkamer bij de huisarts en toen maakte ik iets nieuws mee. Ik wekte duidelijk de woede van een man op. Het wachten duurde lang, er waren wat spoedgevallen en de assistente had haar excuses aangeboden dat het ‘allemaal wat, nou ja zeg maar soort van heel erg uitliep, echt heel vervelend en sorry daarvoor.’

Nu ben ik heel goed in stoïcijns wachten. Ik maak me niet snel druk om afspraken die uitlopen. Als je iets als patiënt leert, dan is het wachten. Wachten op medicijnen die er niet zijn, onderzoek dat niet wordt gedaan en ook wachten tot je aan de beurt bent, tot je een ons weegt.

De mededeling van de assistente had op een mede-wachtende een groot effect. De man begon te snuiven en te zuchten en wild om zich heen te kijken. Ik dacht ‘nu komt het, hij gaat me vertellen waarom hij hier zit. Straks ken ik de naam van zijn parkiet en weet ik wat hij vanavond gaat eten.’

Niets van dat alles. Hij was boos. Op mij. Zo leek het. Elke paar seconden keek hij mij doordringend en boos aan en keek dan weer weg. Veegde continu zijn handen aan zijn broek af en keek dan weer razend op, alsof ik groene zeep op zijn handen gesmeerd had, of nog erger, lijm die verschrikkelijk jeukt.

Natuurlijk rook ik even onder mijn oksels. Maar dat rook heel plezierig, vond ik zelf dan toch. Er zat geen poep onder mijn schoenen. Ik meende ook zeker te weten dat ik mijn tanden had gepoetst dus aan mijn geur kon het niet liggen. Toch maakte iets in mij de man boos.

Gelukkig kwam er op dat moment net een allerschattigst baby’tje binnen met zijn ouders. Nu ben ik geen babyliefhebber, ik heb weinig met baby’s. Die van ons vond ik heel leuk maar de rest wekt niet heel veel in mij op. Zet me in een kamer met kittens en ik smelt. Zet me in een kamer vol baby’s en ik wil in paniek weg rennen.

Maar dit exemplaar was bijzonder goed gelukt. Stralend lachen, veel tatatata!! en gerammel met een speeltje, verrukt zwaaiend naar wat hij zag en nét voldoende kwijl in de mondhoek om het compleet te maken.

Dus negeerde ik de boze man en richtte mijn aandacht op de baby. Zwaaide naar hem, ging gekke bekken trekken en de ouders groeiden van trots en liefde dat hun jochie – denk ik, dat was even een gok aangezien elke baby een bol hoofd heeft en kleuren van babykleding geen definitief uitsluitsel gaven over het geslacht-  dat in een ander wist op te roepen.

Nét op het moment dat ik wilde aanbieden petemoei te worden, riep de huisarts mij. Gelukkig.