Al zo lang als ik me kan herinneren ben ik doof. Net iets te vaak als kind een oorontsteking gehad blijkbaar. De bewijzen daarvan zijn nog te vinden in een oud fotoalbum. De foto’s zijn wat verschoten maar er is goed te zien dat ik daar als klein kind van pak em beet een jaar of 6,7 voor de prachtige jaren 70 bungalowtent van mijn ouders lig, ondanks de hitte goed ingepakt en met een gezicht als een oorwurm. Want wat een onrecht was dat toch, op een camping mét zwembad zijn en daar mocht ik dan alleen naar kijken, maar niet in zwemmen. Want dat is geen goed idee met een oorontsteking.
Die ontstekingen zijn een rode draad in mijn leven gebleven, net als het doof zijn. Maar waar de ontstekingen gepaard gaan met veel ongemak, heb ik het doof zijn nooit als vervelend ervaren. Niet omdat ik niet beter weet (ik weet wel beter want ik had jaren een gehoorapparaatje) maar omdat ik prijs stel op mijn stille wereld.
Aan die stille wereld kwam ruw een eind toen ik een gehoorapparaatje kreeg. Hoewel ik zelf best tevreden was in mijn stille cocon, scheen ik onhandelbaar te zijn in de omgang. En dat was onhandig. Op kantoor tijdens vergaderingen bijvoorbeeld. Ja, je moet mij natuurlijk ook geen notulen laten schrijven en veel gemaakte afspraken en voornemens ontgaan mij volledig. Ik ben daarentegen wel kampioen in gezichtsuitdrukkingen peilen, tussen de zinnen door lezen en ook liplezen gaat me aardig af, mits de spreker me aankijkt en geen onverstaanbaar dialect spreekt waarbij alle klinkers worden ingeslikt of een snor heeft.
Met mij uit eten gaan zonder apparaatje is een uitdaging, daar kwam M. ook snel achter. Romantisch fluisteren in mijn oor is er niet bij, je kunt beter een luidspreker meenemen of met gebaren uitbeelden wat ik in je oproep. En voor M. zijn intrede deed in mijn stille wereld, raakte ik regelmatig betrokken bij allerlei onhandige toestanden en bleek ik op feesten afspraken te hebben gemaakt met wezens van allerlei afkomst omdat mijn tactiek jaren dezelfde was: ik riep 3 keer boven de muziek uit: ‘ik hoor je niet goed, ik ben heel erg doof’ en als dat niet het gewenste resultaat had (en mensen door bleven praten over hun hobby/vriendin/kat/trauma’s) antwoordde ik gewoon op alles met 2 keer ja en 1 keer nee. Dat is overigens een tactiek die ik iedereen aanbeveel, als je meer avontuur in het leven wenst.
Mensen die doof zijn, kijken je altijd aan. Doe ik ook. Als iemand iets zegt tegen mij, kijk ik naar de mond en de ogen, héél aandachtig. De meeste mensen doen dat niet heb ik inmiddels geleerd. En dat luisteren met aandacht wekt soms verwachtingen op en doet wat met de vertellende partij. Mensen vertellen me alles, storten hun leven uit over mijn wereld en dat ik de helft niet hoor, ontgaat ze.
Aan mijn stilte kwam een eind toen ik erachter kwam dat ik bij elkaar maar één goed oor had. Ik had altijd een doof oor en een héél doof oor en toen het beetje dove oor er tijdelijk mee ophield door een ontsteking, was ik hermetisch afgesloten van de wereld en was communicatie niet te doen. Op naar de dokter die na het oplossen van de ontsteking nog maar eens een testje deed en concludeerde dat ik inmiddels bij elkaar maar één goed oor had en dat dit wellicht wat weinig is.
Op naar de gehoorapparaatjesmakermeneer. Er werd gepast en gemeten en hop, ineens had ik een apparaatje in mijn oor. Als dove liep ik naar binnen en ingeplugd liep ik naar buiten. Dat was nog best een traumatische ervaring want op het moment dat ik voet buiten de deur zette in Amsterdam kwam de tram voorbij, vloog er een vliegtuig over en knalden er twee auto’s bijna op elkaar wat gevolgd werd door veel gescheld en getoeter. Ik wou plat op de grond gaan liggen en dekking zoeken. Later ontdekte ik dat dit de normale geluiden van het leven van alledag zijn. Niets om je druk over te maken dus. Om me gelegenheid te geven rustig te wennen aan de geluiden, zou ik nog bellen voor het passen en meten van het apparaatje voor het andere oor.
Er ging een wereld voor me open. Faxapparaten piepten. Ik hoorde collega’s in zichzelf mopperen. Ik moest ineens gaan notuleren. Sociale gebeurtenissen bleken energieopslorpers waaraan geen ontsnappen mogelijk was. En zelf een sleutel in een deurslot steken maakt geluid! Zo veel geluiden die ik liever niet wil horen!
Het eerste apparaatje was geen succes. Ik heb het weken geprobeerd maar toen een collega aan me vroeg of ik wist dat er bloed uit mijn oor kwam, was de maat vol. Die maat daar ging het trouwens om, ze maken bij het meten een mal van je oor en die van mij was verwisseld met die van iemand anders. Dus ik liep met iemand ander zijn maten in mijn oor, en dat deed pijn.
Na een paar weken wachten, kwam het nieuwe apparaatje en dat paste.Nou ja paste, ik heb er nooit aan kunnen wennen. Niet aan de teringherrie die mijn leven insloop en ook niet aan het apparaatje zelf. Ken je het gevoel van onder water zwemmen, de druk die op je oor ontstaat? Zó voelt dat apparaatje voor mij. Het apparaatje bracht ook problemen met zich mee. Om de haverklap had ik weer ontstekingen. Als ik de telefoon tegen mijn oor deed om een gesprek te voeren, dan kwam er een keiharde penetrante piep uit dat ding. Zo ook als ik in de winter een muts opzette of oorwarmers opdeed. En trouwens, ik hoorde dan wel beter en meer, één van de grootste problemen van mijn doof zijn, loste het niet op. Ik ben atypisch doof. Dat betekent dat de gehoorstoornis links van een andere orde en oorzaak is dan rechts.Bij elkaar zorgt dat ervoor dat ik onder meer niet kan onderscheiden waar een geluid vandaan komt. Kom je mij tegen op straat en ga je hard gillen om mijn aandacht te trekken, dan heb je grote kans dat ik de andere kant op loop. Ik hoor niet waar het geluid vandaan komt. Een apparaatje lost dat niet op, ik hoor alleen maar meer en harder geluid maar nog steeds niet waar het vandaan komt.
En zo bleek het apparaatje weinig op te lossen. Communicatie met mij bleek nog steeds moeizaam te gaan want na het opnemen van de telefoon moest ik eerst het apparaatje eruit halen omdat ik door de piep niets hoorde. Zonder apparaatjes hoorde ik geen piep en wel iets, wat meer is dan niets. Nog steeds vooral vervelend voor de andere partij. Maar ja, wie zegt dat communiceren mijn sterkste kant moet zijn? Is toch ook maar zo’n overtrokken gedoe vinden jullie ook niet? Zonder apparaatje is er bovendien meer ruimte voor nuances en misverstanden kunnen trouwens heel prettig uitpakken, het laat ook nog wat over voor de fantasie. En bovendien, mijn gezin lacht zich dagelijks een breuk om wat ik meen te horen. Dus deed ik het apparaatje uit en legde het in een schaal. Van de schaal verhuisde het naar een la. Voor in de la, achter in de la. Ineens zijn we 8 jaar verder en vinden we een oud apparaatje in de la. Zou hij het nog doen? Batterijtje erin, inpluggen, schrikken!!!! Snel weer uit doen. Terug naar de stille wereld.
Mis ik dan niets? Nee niets, of wel heel veel maar dat weet ik niet. Behalve de vogeltjes, die mis ik soms wel. Die hoorde ik ineens toen ik was ingeplugd. Het was toentertijd een aangename verrassing dat ik ontdekte dat er vogeltjes waren in Amsterdam die ik kon horen als ik naar mijn werk fietste. Nu woon ik niet meer in Amsterdam en kijk ik uit op een park met veel vogels. Ik denk de geluiden er wel bij, dat voldoet ook, voor mij.