De juiste terminologie

De eerste twee weken van mijn ‘5 dagen in de week een 8 minutenloopje doen’ was ik één en al gejubel. Het ging goed! Zó goed dat ik me aan het einde van de week uit alle macht moest inhouden er niet één of twee minuten aan vast te plakken. Want dat 8 minutenloopje is een eitje, echt wel! Ik had al weer visioenen van hoever ik wel niet kan komen de komende maanden.

Dat het goed is dat ik niet voor de verleiding van alvast maar de loop verlengen bezweek en me hield aan mijn voornemen om pas na 4 weken eventueel écht uit te breiden, ontdekte ik weer eens vorige week. Toen kwam de realiteit hard uit de lucht vallen na een ouderavond en de erop volgende warme dagen. Ik schrapte het douchen, haalde eten uit de vriezer, sloeg toen met pijn in het hart een paar keer mijn loopje over en ondanks dat lag ik een groot deel van de week plat. Te moe om iets te doen en alles deed pijn.

Daarop volgde een bui die niet fijn was, ook niet voor de huisgenoten. En besef ik me weer eens dat verwachtingen over mezelf en wat ik kan blijkbaar net zo onuitroeibaar zijn als vlooien op een kat. Wat je ook doet, ze komen altijd toch terug.

Maar ook dit gaat voorbij en ik heb alles in huis om ook hier weer van op te krabbelen. Weet ik. Zo voelt het nu niet. Maar goed, laat ik beginnen met de terminologie. Ik heb geen terugslag maar zit in een verlengde hersteltijd. Zo. Dus.

Omgevingsgeluiden

Hoewel wij heerlijk wonen, word ik soms gek van de geluiden die we continu horen. Het zomerseizoen staat blijkbaar synoniem voor buiten gillen, hard praten, in de tuin keihard een telefoongesprek voeren. En dan ben ik nog hartstikke doof ook en heb er toch last van terwijl ik denk ik de helft nog niet eens hoor.

Sommige geluiden begrijp ik, ook al vind ik ze niet prettig. We wonen tegenover een park en dus is het logisch dat we de tuinmannen horen als ze het gras maaien. Of dat er pubers in het prieeltje hangen en daar gaan staan gillen. Zaterdagnacht. Als ze terug komen van stappen. In de halfslaap hoor je teveel om echt verder te slapen maar te weinig om uit het raam te gaan hangen en te gillen dat ze hun kop moeten houden. Wat je niet doet omdat je dan zelf voor overlast zorgt.

Maar toch. Wat een zaligheid dat de buren zo lang op vakantie waren en wat was het slikken dat ze weer terug waren. Buurman praat nogal luid. Toen buurvrouw vroeg of we wel hadden gemerkt dat ze weer terug waren – op zoek naar een praatje over de schutting – flapte ik er uit dat het zo heerlijk rustig was geweest. Echt, de woorden rolden mijn mond uit voor ik mezelf kon tegenhouden en hingen daar zo wat in de lucht.

Maar het ergst en meest irritante vind ik het kleine meisje wat weliswaar niet naast ons woont maar het volume dat ze weet te produceren maakt dat je denkt dat ze op zijn minst vlak naast je staat. Echt heel erg en slecht ben ik natuurlijk dat ik me zó dooderger aan zo’n klein kind maar ze is volgens mij tot op het bot verwend en wordt nooit tegengesproken of gecorrigeerd. Althans daar heb ik nooit iets van gemerkt. De ene driftaanval na de andere maken we mee. En maar gillen in de tuin om haar moeder.

Een tijdje terug kwam ik het gilmeisje met moeder en opa & oma tegen in de winkel, alwaar er boodschappen moesten worden ingeslagen. Eén klein gillend kind dat drie volwassenen bezig hield om de puinhopen achter haar op te ruimen en achter haar aan te rennen. En maar sussen. Echt. Doe normaal. Corrigeer eens. Zeg gewoon: Nee, dat is niet van jou. Nee, dat mag je niet pakken. Nee, je mag ook niets op de grond smijten en stop met gillen, nu! Zo doe je dat met kleine kinderen. Jij zegt 1000 keer nee als ze iets doen en zij doen het 1000 keer toch en uiteindelijk valt het kwartje.

Natuurlijk weet ik dat het arme kind er niets aan kan doen. Geen kind wordt stront vervelend geboren. En misschien heb ik ook wel PMS dat het me zo irriteert nu. Zou zomaar kunnen. 😉

Zaterdag

Echt, wat was deze week super. Wat een heerlijke nazomer. Ik geniet me een ongeluk en vind dit echt de perfecte temperatuur, warm maar niet zweetwarm. Ik heb dus heel veel in de tuin van de zon genoten en veel gelezen deze week.

Het voordeel van een lange diepe tuin is dat er – ook als de zon al lager staat zoals nu in september – altijd wel een plek is waar volop de zon schijnt. Dus staan er door de tuin heen stoelen op strategische plekken en kan ik daar afhankelijk van het tijdstip genieten van de zon.

Sowieso gaat de lijn opwaarts. Ik heb nu twee weken lang op alle doordeweekse dagen mijn 8-minutenloopje gedaan. In het weekend sla ik over, dan zijn er vaak andere dingen die al iets meer energie kosten. Vandaag hoop ik bijvoorbeeld even te kijken bij S. die een voetbalwedstrijd speelt. Dat ik de afgelopen weken alle keren het loopje kon doen, dat het me niet uitput, dat het lukt vijf keer in de week, dát levert echt een heel fijn gevoel op. Ik ga redelijk vroeg in de ochtend, zo rond 9 uur, dan zijn alle scholieren het park uit en ook de meeste hondenbezitters hebben hun eerste wandeling er al op zitten. Blijft er af en toe een verdwaalde bejaarde over die ik kan tegenkomen, maar verder is het heerlijk rustig.

Zo train ik toch heel langzaam de spieren. Het is toch een opbouw, zó klein dat ik mijn lijf en brein bedot. Ik heb bedacht dat als ik dit 4 weken heb gedaan en het nog steeds goed voelt, ik de wandeling met een paar meters verleng. Zo krijg ik heel langzaam hopelijk meer grip.

Een goede week dus. Het enige minpunt deze week was een zieke kat. Smoes liep al twee dagen veel te slikken alsof hem iets dwars zat. Verder gedroeg hij zich normaal en speelde veel, at gewoon. Maar gisteren tijdens de middagdut kwam hij bij me liggen en hij zag er zó futloos uit. Bovendien had hij hele warme oren. Dus kroop ik het bed uit, belde de dierenarts en we konden er zowaar vrijwel meteen terecht. Ik had gelukt want M. was thuis en dus stond er een auto tot mijn beschikking.

De dierenarts denkt dat het keelontsteking is. De keel is was gezwollen en dat in combinatie met koorts die geconstateerd werd, maakt dat een plausibele diagnose. Als er iets vastzit in de keel zou hij meer hoestgeluiden moeten maken, maar helemaal uit te sluiten valt dat nog niet. Smoes kreeg een spuit met ontstekingsremmers en ik moet hem dagelijks ook een onstekingsremmer geven door het eten. Is het inderdaad een ontsteking dan zou hij snel moeten opknappen. Zo niet, dan gaan we maandag terug voor een uitgebreid keelonderzoek. Maar zelf denk ik dat het niet zo’n vaart loopt.

Gaan we nu weer over tot de orde van de dag en genieten van het weekend. Dat betekent ontbijten met chocoladetaart, gemaakt van amandelmeel, cacao, kokosmelk en wat citroenrasp. Mijn recept is een aanpassing van dit recept van Eet goed voel je goed, ik maak hem zonder suiker en zoet meestal met banaan of suikervrije jam. Zo lekker en zó zo fijn om in het weekend in bed te ontbijten met een stuk taart en koffie.

Dibbes en de afplaktape

Dibbes woont nu drie jaar bij ons. In mei 2013 zat hij ineens in de tuin, schuw, mager en half blind. Vertrouwen winnen ging heel moeizaam maar in september lukte het om hem te aaien en vandaar uit maakte hij grote sprongen. In oktober brachten we hem naar de dierenarts voor een algehele check, sterilisatie, chippen en een oogoperatie, aangezien hij entropion had, een aandoening waarbij de wimpels naar binnen groeien.

Daarna kon het echte werk beginnen want hij moest aan alles wennen en was erg onzeker en schrikkerig. Dibbes is een kat van extremen, hij kan héél erg ongelukkig en onzeker zijn maar ook genieten als geen ander.

Dat we na een jaar nog een zwerfkat – en zijn evenbeeld – adopteerden was wel een kleine verstoring in het prille adoptiegeluk. Maar nu we weer twee jaar verder zijn sinds Gerrie hier kwam, is er wel een acceptatie ontstaan. Ze spelen – heel voorzichtig – met elkaar en zijn niet langer elkaars vijanden (dat waren ze op straat wel, elkaars concurrenten om eten).

Dibbes heeft heel langzaam meer zelfvertrouwen gekregen. Al moeten we hem nog wel door spannende tijden heen loodsen. Oudejaarsavond en dierenartsbezoeken worden vooraf gegaan aan weken van zylkène slikken, een antidepressivum voor katten dat net overal de scherpe randjes vanaf haalt. En wat het ene jaar nog niet lukte – hem naar de dierenarts brengen voor controle – lukte de erop volgende jaren wel. En ook daar leerde hij van. In de mand ergens naar toe gaan betekent altijd dat hij ook weer mee terug mag. Na een kleine ingreep aan zijn gebit vorig jaar, regelde ik het zo dat ik bij hem mocht blijven toen hij onder narcose ging en ik was ook de eerste die hij zag toen hij weer bijkwam. Al deze stappen hebben een band gesmeed en vertrouwen tussen ons gebracht. Hij is bovendien niet meer vooral alleen op mij gericht maar hecht zich ook aan andere gezinsleden en aan mensen die hier regelmatig over de vloer komen.

Dat de angst en onzekerheid nog steeds zeer aanwezig zijn, zag ik deze week. In de huiskamer stond een grote lege doos. Dibbes is als echte kat dól op dozen dus sprong hij erin, eruit, erin, eruit. Om vervolgens ineens als een idioot heen en weer te rennen, trap op, trap af. Volledig in paniek. Er bleek een stuk tape aan zijn staart te zijn vastgeplakt. In die doos zat blijkbaar van dat afplaktape waar je dozen mee dichtmaakt en dat hing aan zijn staart.

Wat volgde was een regelrecht drama met een Dibbes die niet kon stoppen met rennen en een Gerrie die dacht dat er een leuk spelletje gespeeld werd en achter Dibbes aan ging hollen. Het werd al snel levensgevaarlijk omdat hij in zijn angst ook de straat op vloog waar auto’s pal op de rem moesten staan om hem niet plat te rijden. Uiteindelijk rende hij weer het huis in, naar boven naar de kamer van S. Daar verstopte hij zich onder bed. Eerst lag hij volledig verstijfd maar al snel kreeg hij een soort toeval van angst. Hyperventileren, schokken met zijn hoofd, rollende ogen. Eng om te zien en echt heel zielig. Ik kon er bovendien niet goed bij want onder het bed ligt een logeermatras en daar lag Dibbes op. Er bleef dus te weinig ruimte over om zelf ook onder het bed te kruipen.

Uiteindelijk ben ik plat op mijn buik gaan liggen en ben met mijn ene hand hem gaan aaien en met de andere hand op zoek naar zijn staart gegaan. Hij reageerde na een paar minuten goed op mijn stem en mijn aanhalingen dus hij kalmeerde iets. Toen snel met een ruk dat klotetape eraf getrokken. Hij vloog onder het bed vandaan en ging plat op de grond liggen. Daar kroop ik naast hem en toen moesten mens en dier even van de consternatie bijkomen.

Sindsdien is hij echt weer terug bij af. Hij kan zich wel redelijk ontspannen maar bij elke vreemd geluidje dat hij hoort – gekuch, geritsel van papier, gillende mensen in het park – springt hij op en verstopt zich. Best zielig.  Het positieve is wel dat het me lukte om in zijn ergste paniek tijdens die aanval tóch contact met hem te krijgen en hem te kalmeren. Dat betekent dat er echt veel vertrouwen is gegroeid. Dus moet hij nu even door deze periode heen. Het komt wel weer goed.

Wandelmaatje

Katten zijn enorme gewoontedieren. Als ik twee avonden achter elkaar rond een uur of 8 wat lekkers geef, is mijn uitzicht op de derde avond vier katten op een rij die me aanstaren met een spandoek waarop staat: ‘lekkers, nu!’

Zo hebben ze ook vaak vaste slaapplekken en een verdeling op het bed,  ‘jij hier en ik daar en jullie twee in het midden’. Dat wordt dan weken nageleefd tot er iets gebeurt en er een andere orde wordt opgezocht en nageleefd.

Nu ik dagelijks een klein loopje doe en dat bovendien telkens op ongeveer dezelfde tijd, had kat Moos dat snel door. Op dag 1 zag hij me bij terugkomst en begroette me luid miauwend. Op dag 2 kwam hij me gillend tegemoet rennen. En op dag 3 zat hij bij de voordeur klaar voor vertrek en begeleidde me tijdens mijn loopje, miauwend en gillend.

In het park is het wel erg spannend voor hem, maar ach voor mij ook ;-). Hij klimt af en toe in een boom als er een hond te dichtbij komt en is overduidelijk opgelucht als ik me weer omdraai. Dus nu heb ik een wandelmaatje. Dat overigens veel bekijks trekt want veel mensen willen weten of de kat bij mij hoort, waarom hij achter me aanloopt en waarom hij zo gilt.

Het is niet voor het eerst dat een kat me achterna loopt. In mijn jeugd liep onze rode kater Floris regelmatig met me mee naar school. Hij zat me soms ook op te wachten op de stenen muur van school, wachtend tot ik weer tevoorschijn kwam. Kater Job achtervolgde me naar de peuterspeelzaal waar ik S. naar toe bracht. Daar ging hij (de kat, niet het kind) op zijn achterpoten staan en tikte met zijn voorpoten tegen de ramen, onder luid gegil. Ook liep hij wel met me mee naar de binnenstad, een keer zelfs tot de deuren van de Hema waar ik naar toe ging voor een boodschap. Ik durfde hem daar niet achter te laten dus keerde ik zonder spullen weer om.

Veel mensen zijn ervan overtuigd dat katten geen roedeldieren zijn en zich meer aan een plek hechten dan aan het baasje, maar die katten moet ik blijkbaar nog tegenkomen.