
Maand: januari 2019
Ik leef zoals ik wil

In de 11 jaar dat ik ME heb, zag ik heel veel behandelaars en artsen en die laten zich meestal verdelen in twee kampen: kamp 1 bestaat uit volk dat tijdens een consult niet één keer opkijkt van achter de computer en me – soms stralend maar nog vaker iets geïrriteerd want ‘ga nou maar weg jij aandachttrekker‘,- weet te vertellen dat ik niets mankeer. Dus al die symptomen, ja, die bestaan vast ook niet, het is in ieder geval niet hun pakkie an. En boven al die ongeïnteresseerde hoofden hangt een donderwolk met teksten als ‘Ga nu maar weg want ik heb liever een echte patiënt met een ziekte die blijkt uit gewoon degelijk onderzoek. Wat we niet zien is er niet en dus bestaat het niet. Ik kan niets met jou, dag!’
Natuurlijk klink ik heel zuur nu en zijn er ook artsen die anders aankijken tegen nog niet begrepen aandoeningen. Maar ik ben die op mijn zoektocht niet echt tegen gekomen. Laat staan dat ik – op een enkele uitzondering na – wat medemenselijkheid of empathie vanuit de zorgwereld ondervind. Dat ligt niet alleen aan artsen maar ook aan het zorgstelsel, waarin mensen worden opgesplitst in plakjes en stukjes, waarbij men heel veel over heel weinig weet. Met een multisysteemaandoening als ME is dat niet handig.
Als ik iets heb geleerd in al die jaren, dan is het dat ik hard moet wegrennen als iemand beweert mij te kunnen genezen. Als ik zou kunnen rennen tenminste.
Kamp 2 bestaat uit mensen die geheel vanuit een eigen invalshoek het ‘one size fits all’-geloof propageren. Ze hebben een trucje geleerd en welke klacht je ook hebt, als je maar precies doet wat zij adviseren, dan word je beter. En word je dat niet, dán doe je niet goed genoeg je best. Vaak zijn ze totaal niet onderlegd op het gebied van ME en hebben ze geen flauw idee wat ze jou als wanhopige patiënt aandoen als ze jou stralend vertellen dat je volgend jaar om deze tijd beter bent. Echt. Hoe vaak ik die hoop wel niet heb gehad. Hoe groter de hoop, hoe harder je valt.
Al die hoop op genezing die ik had, is stukgeslagen op de kortzichtige koppigheid van vaak alternatieve genezers die menen dat hun trucje, of dat nu acupunctuur of een ademhalingsmethode is, voldoende is om beter te worden. En ik werkte daar aan mee, je zal maar wanhopig zijn. Als ik iets heb geleerd in al die jaren, dan is het dat ik hard moet weg rennen als iemand beweert mij te kunnen genezen. Als ik zou kunnen rennen tenminste.
In mijn zoektocht naar genezing deed ik ook – jaren geleden – het VermoeidheidCentrum aan. Besloten werd dat ik hun behandelplan in mijn eigen regio zou uitvoeren. Dat betekent concreet dat je op zoek moet gaan naar eigen behandelaars die aan de slag willen met het behandelplan van het VermoeidheidCentrum. Het plan schreef onder meer een behandeling voor bij een psychosomatisch fysiotherapeut. Daar waren er toen een paar van in mijn woonplaats, ik deed iene miene mutte en belde er eentje op. Of ik langs mocht komen.
En óf ik langs mocht komen. Het enthousiasme knalde door de telefoon heen. Ze was HEEL geïnteresseerd in ME en wilde mij graag behandelen. Ik mocht de volgende dag al komen voor een anamnese. Haar behandelkamer leek meer op een sportzaal dan op een standaard fysiotherapieruimte. In de hoek stond een bureau met daarnaast twee stoelen en ik mocht plaats nemen. Ik haalde het behandelplan uit mijn tas en legde dat voor mij neer, in de hoop te kunnen zeggen wat dit was en wat de bedoeling was, als ze even haar mond hield.
Je bent niet ziek, je hebt beweegangst.
Een half uur later zat ik nog steeds te wachten tot ze even haar mond hield. Ik leerde veel terwijl er een tsunami van woorden over mij werd uitgestort: dat ze een vooringenomen troela was die meende dat ME geen aandoening is maar veeleer een verkeerd aangeleerde denkwijze en dat ik last had van beweegangst. Doordat ik die beweegangst had, reageerde ik krampachtig op alles wat met bewegen te maken had en kreeg ik klachten. Een self-fufilling prophecy.
Goh, nou wist ik eindelijk wat mij mankeerde. En zo knap van haar aangezien ze mij geen één vraag had gesteld, anders dan ‘kon je het vinden?’
Nu is het idee van beweegangst bij ME op zich niet heel vreemd. Het is ook best logisch dat als een beetje bewegen telkens wordt afgestraft met een terugslag van soms weken, ook al bestond die beweging uit de trap oplopen en meer niet, je angst krijgt om iets te doen. Maar je krijgt geen ME omdat je beweegangst hebt, je krijgt waarschijnlijk beweegangst omdat je ME hebt.
Alleen toentertijd (dit hele geval is jaren geleden) was ik nog niet zo lang ziek en had ik last van het tegenovergestelde van beweegangst, overmoed. Als ik maar dit of dat doe, dan komt het allemaal goed. Dus begon ik bijna maandelijks met een plan van bewegen en uitbouwen en stortte dan telkens volledig in. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat mijn lijf het zo liet afweten bij de kleinste bewegingen en negeerde continu signalen dat ik over mijn grenzen ging. Ik forceerde mezelf te veel en te vaak en zat daardoor in een neerwaartse spiraal waarin ik steeds slechter werd. Het behandelplan van het VermoeidheidCentrum was er juist op gericht om die grenzen te leren herkennen en te bewegen binnen die grenzen.
Helaas had mijn iene miene mutte-gok me geleid naar een vooringenomen roeptoeter die zonder ooit eerder een ME-patiënt te hebben gezien, precies wist wat de oplossing was. Die sportzaal was voor mij bedoeld en als het zo doorging dan haalde ze ook vast nog een zweep te voorschijn om die beweegangst eruit te slaan. Stap 1 van haar methode bestond eruit dat zij op een gele post-it ‘IK LEEF ZOALS IK WIL! schreef en dat, werkelijk waar, ongelogen, op mijn voorhoofd plakte. Dat was voortaan mijn levensmotto vertelde zij en stelde meteen een datum voor een volgende afspraak voor, want deze noot zou ze wel even gaan kraken. ‘Volgend jaar ben jij beter!’
Thuisgekomen bekeek ik de post-it en nam haar motto ter harte. Ik mailde dat ze wat mij betreft de plank volledig missloeg en dat ze kon opzouten met haar idiote aanpak, die gebaseerd is op haar vooroordelen over wat ik mankeer en niet op een gedegen anamnese. Dat ik behandelaars zoals haar niet nodig had.
Nou ja, ik schreef het een stuk netter. Zo laf ben ik nu ook weer wel.
Gelukkig zijn er ook andere behandelaars die wel weten wat ze doen. De beste indicatie voor een goede behandelaar op het gebied van ME is als ze meteen eerlijk zeggen niets te kunnen beloven. Ik ben voor een nationale verstopplek van fijne behandelaars die tevoorschijn kruipen op het moment dat je ze nodig hebt. En die geen post-its met levensmotto’s op voorraad hebben.
Kattentaal

Als ik de overloop oploop, zie ik de buurkat ongegeneerd gapend uit de werkkamer lopen. Dát was een fijne dut. Het mislukt om hem het huis uit te werken want hij gaat net buiten mijn bereik onder het bed zitten. Later rennen we rondjes om de eettafel en om de gitaar van M. heen en dan, nadat ik het heb opgegeven, verlaat hij het strijdtoneel met opgeheven hoofd op een door hem gewenst moment.
Wat dacht ik toch, ik zou beter moeten weten, van een kat verlies je altijd.
Omdat de buurkat ons zo frequent terroriseert, denken onze katten dat het normaal is. Het huis is schijnbaar een doorgangsstation van ongewenste vreemdelingen. Als je als tactiek altijd de andere kant opkijkt, heb je er bijna geen last van. Bijna. Naast deze kat komen er ook twee andere katten af en toe buurten. Echt leuk vinden ze het niet. Maar om nu in beweging te komen en het vreemde volk te verjagen?
Over katten gesproken, ik lees een interessant boek nu: I love happy Cats. Handleiding voor een gelukkige kat, van kattengedragstherapeut Anneleen Bru. Het boek werd me aangeraden door onze dierenartsassistente die ook kattengedragstherapeut is, toen we het hadden over het gedrag van Dibbes en Gerrie. Je kunt weinig verwachten van katten die zo lang op straat hebben geleefd. En vooral Gerrie begrijp ik soms niet. Hij laat zich nog steeds moeilijk benaderen en is regelmatig gestrest en ongelukkig. Ik zou graag willen weten hoe ik hem zich veiliger kan laten voelen.
De huiskat van tegenwoordig stamt af van de Noord-Afrikaanse wilde kat, een solitaire jager. Deze wilde kat ontwikkelde een heel scala aan gedragingen en manieren van communiceren om te overleven in verschillende omstandigheden. De huiskat beschikt nog steeds over ditzelfde pakket aan gedragingen en overlevingsmogelijkheden en daar heb je dus meteen het probleem. De van oorsprong alleen levende kat, leeft tegenwoordig op een oppervlak dat veel kleiner is dan wat zijn voorouder tot zijn beschikking had én vaak in een groep, omdat baasjes denken dat het gezellig is voor Flip als hij een vriendje krijgt. Dat levert dus stress op.
Katten zijn sowieso stressgevoelig. Ze zijn klein, kwetsbaar en daarom meestal conflictvermijdend. Sociaal contact anders dan paren zit niet echt in het genenkoffertje. Een kat voelt zich snel bedreigd en veel van hun gedrag komt daaruit voort. Uit voorkomen dat ze ontdekt worden, denk aan het begraven van de poep, zodat een vijand die niet ruikt. Denk aan het schrapen rond de etensbak, dat een verwijzing is naar het begraven van eten, om dezelfde reden. Katten zijn om dezelfde reden enorme routinedieren: elke dag of zelfs meerdere malen per dag hetzelfde loopje doen, om te scannen of alles nog wel klopt. Om die reden zijn ze ook snel gestrest als iets afwijkt of verandert, want dat betekent vanuit hun genenpakket bedreiging. En dat laatste is natuurlijk nogal eens het geval in een huishouden met mensen en meerdere katten want daar verandert regelmatig iets.
Om zich veilig te voelen moet een kat zoveel mogelijk keuzes hebben. Keuze waar hij slaapt, eet, jaagt, speelt. Meerdere verstopplekken in een huis. Er moet veel keus zijn want de plekken wisselen voortdurend, afhankelijk van de gevoelde bedreigingen. Zeker als er andere katten in huis zijn. Door middel van geursporen communiceren ze met elkaar, verdelen ze de plekken om de harmonie te bewaren. Zo zie je hier vaak dat ze om en om in hetzelfde kistje liggen te slapen, dan ligt Dibbes er in de ochtend in en Smoes in de middag. En zeggen ze met hun achtergelaten geuren als het ware ‘ik was hier vanmorgen, doe jij dan nu je ding, dan kom ik vanavond weer terug’.

Er staan veel leuke feitjes in het boek. Dat bijvoorbeeld kont aan kont liggen niet betekent dat ze elkaars gezelschap opzoeken, maar dat ze beiden op dezelfde plek willen liggen en elkaar dus om wille van de plek tolereren. Liggen ze met de koppen naar elkaar toe, dan hebben ze elkaar wel opgezocht. Dan gaat het niet om de plek maar om het gezelschap.
Niet alles is logisch in mijn ogen. Bru schrijft meerdere malen dat katten het vaak niet plezierig vinden om geaaid te worden. Een kattenvacht het is extreem gevoelig en het zou pijnlijk aanvoelen. Nu heb ik in de 30 jaar dat ik katten heb blijkbaar alle uitzonderingen getroffen want ik heb aaiverslaafde katten. Mits ik het doe op een door hen gewenst moment.
Of ik Gerrie nu beter begrijp weet ik niet. Het probleem met Gerrie is dat hij zelf de onderlinge signalen ook nooit heeft leren interpreteren. Dus hij benadert de andere katten vaak op de verkeerde manieren en vangt de signalen niet op dat contact niet gewenst is.
Andersom is hij naar mij toe extreem aanhankelijk maar o wee als ik hem verkeerd aanhaal. Of nies. Of kuch. Hij blijft ook na 4 jaar nog extreem schrikkerig. En ik geloof dat het beste wat we kunnen doen, is hem accepteren zoals hij is. Binnen de mogelijkheden die hij heeft, is hij best gelukkig.
Ben je een kattenliefhebber dan is het boek aan te raden. Minpunten vind ik de beroerde opmaak (een absurd groot lettertype afgewisseld met blokken tekst in hele kleine iele lettertjes in lichtgroen of lichtoranje vind ik echt niet leesbaar) en het feit dat Bru uit België komt en ik wel wat moeite had met het Vlaams. Dat is natuurlijk wel jammer aangezien mijn vader in Antwerpen geboren is, maar verder dan de centrifuge een droogzwieper noemen ging de Zuid-Nederlandse taalopvoeding niet.
Het is niet persoonlijk bedoeld

Dat ik me goed voelde, was verbazingwekkend want ik had behoorlijk slecht geslapen. Voor de zekerheid bleef ik heel lang in bed liggen maar zo rond 11 uur concludeerde ik dat het lijf zich echt redelijk gedroeg. Sterker nog, ik voelde me eigenlijk wel heel aardig! De vraag drong zich op: wát ga ik met die energie doen?
Met de blamage van vorige keer in gedachten, besloot ik de was te negeren die klaar lag om te worden opgevouwen. Het was bovendien heel zonnig buiten dus leek een uitstapje me een beter idee.
Dus appte ik mijn moeder en die zag het wel zitten als ik even langs kwam. Ik had haar twee weken niet gezien. Ze is sinds ze geen auto meer heeft minder mobiel. Maar ik heb een scooter en voelde me goed, dus daar ging ik!
Alleen wilde de scooter niet starten. Er kwam alleen maar een raar hees geluid uit. Paar keer geprobeerd maar zelfs deze nitwit heeft wel iets gehoord van een startmotor die kan verzuipen dus echt lang durfde ik dat niet te proberen.
Wat nu? Ik heb geen kracht om het met de kickstart te doen, ontdekte ik na twee pogingen. Dan maar de gegevens van mijn dealer opgezocht. Die is dicht op maandag. En om nu een alarmcentrale te bellen omdat mijn scooter niet wil starten leek me wat ver gaan. Niet als de reden van op weg gaan een kopje thee elders was. Ik stond immers niet met pech op de dijk in de regen.
Dus moedertje weer geappt dat het feest niet doorging. Zij stelde voor naar mij te komen met de fiets. Maar inmiddels zat ik er al doorheen. Een beetje stress, wat dingen proberen en uitzoeken en weg energie.
Het universum is echt niet tegen mij. Maar soms voelt het wel zo.
En dan, dán kost het me wel eens heel veel moeite om het niet persoonlijk op te vatten. Er is zó weinig beweegruimte, 9 van de 10 keer gaat een plan dat ik verzin mis. Is het niet vanwege gebrek aan energie of pijn in het lijf, dan is het wel door uitverkochte bioscoopkaarten omdat ik pas kort voor een voorstelling kan besluiten of ik echt weg kan gaan of een klote scooter die niet doet wat hij moet doen. En zit ik een half uur nadat ik bedacht om naar mijn moeder te gaan, uitgeput en met pijn op de bank zonder überhaupt de tuin uit te zijn geweest, me een domme uitgebluste muts voelend die van elke scheet fysiek zo van de rel raakt dat het gewoonweg gênant is.
Nu had ik drie problemen: ik had energie maar die was verdwenen, mijn scooter wilde niet starten en ik gaf die irritante roeptoeter in mijn hoofd heel veel ruimte om mezelf genadeloos af te fakkelen. Natuurlijk weet ik dat het geen zin heeft me zo op te winden, het brengt me nergens om zo te denken, het is allemaal niet persoonlijk bedoeld, bekijk het positief, er zijn geen dooien gevallen, morgen weer een dag en kop op. Alleen nu even niet. Het universum is echt niet tegen mij. Maar soms voelt het wel zo.
Als jullie me nu even willen verontschuldigen, dan wentel ik me lekker in zelfmedelijden tot ook dat te gênant wordt en dan doe ik morgen weer alsof er niets aan de hand is. Beloofd!
Dierenarts

Nou daar gingen we, naar de dierenarts voor de jaarlijkse enting van Gerrie en Moos. Of wacht, daar ging nog wat aan vooraf.
Om Gerrie in de mand te krijgen moet je goed beslagen ten ijs komen. Deze ex-zwerfkat kwam vier jaar geleden in ons leven en was geen menselijke aanraking gewend. Ik heb hem de eerste periode met een afwasborstel heel zacht over zijn rug geaaid als hij kwam eten. De eerste paar keer vond hij dat doodeng maar de honger was groter dan de angst. Heel langzaam wende hij zo aan aanraking en menselijk contact en leerde hij ons vertrouwen. Alleen dat laagje vertrouwen is heel dun en er hoeft maar iets te gebeuren en er blijft pure angst over.
De eerste paar jaar was het vreemd genoeg nog wel mogelijk om hem – toen hij eenmaal wat gewend was – op te tillen om bijvoorbeeld een pilletje te geven. Maar blijkbaar is hij dat gaan associëren met vervelende dingen, dus dat lukt niet meer. Het vreemde is dat hij wel heel aanhalig is. Ligt in bed tegen mij aan, vraagt aandacht op het opdringerige af, geeft kopjes en kusjes en zit soms minuten lang neus aan neus met mij. Maar dat is allemaal op zijn initiatief. Benader ik hem, dan blijft hij schrikkerig.
Toch zullen we wel een keer per jaar met hem naar de dierenarts moeten gaan, voor een enting en controle. Met zijn verleden van slecht en onregelmatig eten is het denk ik goed om hem regelmatig te laten onderzoeken. Ook omdat hij een hartruis heeft, iets wat helemaal niet erg hoeft te zijn maar wat wel goed is om te monitoren.
Leuk is anders. Elk jaar levert het bezoek aan de dierenarts veel stress op, bij hem en bij mij. Want ik ben de boeman die hem in de mand propt. Dit jaar dacht ik toen de oproep van de dierenarts kwam, slim te zijn. Ik ging eerst oefenen met optillen, besloot ik. Het optillen belonen met lekkers. En van daaruit zouden we gaan oefenen met de mand.
Dat probeerde ik al eerder en dat was toen een grote faal, en nu helaas weer. Met Dibbes lukt dit wel (ook een ex-zwerfkat) maar Gerrie wil het niet, doet het niet, verdomt het. Hij werkt een paar keer mee en dan rent hij keihard weg. Dus besloot ik dan maar weer over te gaan op alprazolam, een kalmeringsmiddel. Is hij eenmaal wat rustiger dan krijg ik hem wel in de mand.
Alprazolam krijg hij ook altijd op oudejaarsavond. De eerste pil diende ik afgelopen keer toe toen hij lag te slapen. Dat was dus een groot verrassingseffect. Heel vals van mij maar wel effectief. Bij de tweede pil later op die dag ontdekte ik dat hij het prima vindt om een stukje jonge kaas met daarin een pil verstopt, te eten. Vorig jaar lukte het op die manier met wat gerookte zalm.
Dus stapte ik afgelopen vrijdag vol zelfvertrouwen op Gerrie af met een stukje kaas met pil. Hij pakte het gretig aan, harkte het naar binnen met zijn tong en werkte het met dezelfde snelheid weer naar buiten. Dát moest hij niet! Dan maar op goed geluk. Gewoon eten gegeven en hem snel opgetild. Binnen een seconde was Gerrie aan de andere kant van het huis, droop er bij mij bloed uit diverse wonden en was mijn hartslag 130.
Afijn, eerst maar eens kalmeren. De man verzorgde mijn hand, dat was een lelijke jaap, en ik probeerde me te ontfermen over mijn hysterische brein. Ik had nog twee uur en een kwartier voordat we bij de dierenarts moesten zijn en zo’n pil heeft twee uur nodig om te gaan werken. Zonder pil, geen mand en geen dierenarts.
Ik had nog wat easypill. Dat is een kneedbare pasta die smaakt naar kattenbrokjes waar je een pil in kunt verstoppen. In het verleden was dit één keer een daverend succes maar werd het de volgende keer vol walging uitgespuugd.
Nu ben ik niet voor een gat te vangen, dus verstopte ik de pil in de pasta, vermaalde in de vijzel wat van zijn lievelingsbrokjes (Oral Care van Royal Canin) en rolde het stukje pasta er doorheen. Nu was het nét een normaal brokje en ook precies het formaat van zijn favoriete brokjes. Meneer zat me op de trap vol argwaan te bekijken, maar kon zijn favoriete brokjes niet weerstaan toen ik er vier aanbood, waarvan er dus eentje een wolf in schaapskleren was. Het werd gretig naar binnen gewerkt.
Nu gingen we over op fase twee van Operatie-Gerrie-in-de-mand: lekker op bed liggen en wachten tot de pil ging werken. Meestal komt hij bij me liggen als ik op bed lig en dat was nu ook het geval. Alleen bleef hij akelig alert tot het moment dat de man naar boven kwam met de mand. We hadden alles doorgesproken. Ik zou Gerrie pakken en met mijn rug naar de deuropening toe gaan staan zodat hij niet zou zien dat M. met de mand binnen kwam. Nou zag Gerrie dat sowieso niet, toen puntje bij paaltje kwam werd het een potje vrij worstelen waar kat en mens met een diepe wond in de ziel weer uit kwamen. Maar goed, hij zat in de mand. En zit hij daar eenmaal in, dán is hij zo mak als een lammetje, verstijfd van angst.
Op naar de dierenarts waar alles goed ging met Gerrie. Mooi op gewicht, gebit was goed en ‘hoppa, doei, tot volgend jaar‘. Met de dierenarts besproken welke dosis kalmeringsmiddel misschien meer effectief is voor een volgende keer. En mentaal een notitie aangemaakt dat ik een volgende keer kaas, gerookte zalm, leverworst én easypill paraat moet hebben alsmede een extra voorraad pleisters. Voor het geval dat.
Moos was ook mee. Die was niet goed op gewicht, beet de man in zijn hand toen hij zijn enting kreeg en heeft zowel op de heenreis en terugreis continu gejammerd. Maar dát is een heel ander verhaal.
Verwachtingen

Laatst kwam M. met een oude agenda aanzetten. Het was zo’n gepersonaliseerde fotoagenda, uit 2009. Deze foto stond daar ook in. Hij dateert uit 2006. We waren net terug uit Italië. S. en ik hadden elkaar geschminkt. In de middag gingen we de stad in omdat de Karavaan er was, een reizend theatergezelschap dat jaarlijks in de zomer door Noord-Holland trekt. Een paar dagen later overleed mijn vader.
Het jaar dat volgde werd gekenmerkt door rouw, verdriet en veel stress. Ik kreeg een andere baan, ik volgde een opleiding waardoor ik weekenden van huis was en mijn lijf liet het steeds meer afweten. Toen we in oktober 2007 verhuisden was het op. Mijn lijf wilde niet meer, ik had het ene na het andere virus. In februari 2008 heb ik me ziek gemeld. Ik heb daarna nog wel geprobeerd weer aan het werk te gaan maar dat deed mijn gezondheid alleen maar aanzienlijk verslechteren.
Dat wist ik natuurlijk allemaal nog niet, toen ik voor deze foto de camera inkeek. Ik dacht alle tijd van de wereld te hebben. En ik dacht te weten wat voor leven ik ging leiden. Alle opties lagen open. Ik was vol verwachting. Ook al zag ik dat toen misschien helemaal niet zo. Want ik vond het zo vanzelfsprekend dat ik alle kanten op kon gaan, zelf mijn pad kon kiezen.
Het was de vanzelfsprekendheid van een gezond mens dat zich niet kan voorstellen dat ze ‘ineens’ geen keus meer heeft. Een gezond mens heeft wel 1000 wensen, een ziek mens maar een.
Standje normaal
Maandag gingen we hier in huis weer over op standje normaal. De gewone routine van puber naar school, man naar werk en ik, nou ja, wat ik dan ook doe.
De vakantie was oké. Veel rustige dagen. De donderdag voor de kerstvakantie werd ik besprongen door een virus en al met al heb ik daar een dag of tien last van gehad. Het maakte dat ik heel weinig deed. Ik heb veel gerust en gelezen en dat was eigenlijk, buiten het vele gerochel, best wel fijn.
Toen ik weer wat was opgeknapt, heeft puber hier middagen achter elkaar met een klasgenoot aan een grote opdracht voor school gewerkt. Omdat deze jongen nu geen laptop heeft, stond ik hem tijdelijk de onze af. Ze zaten wegens ruimtegebrek niet op de kamer van S. maar beneden aan de eettafel. Dat maakte dat ik meestal boven lag. Eigenlijk was dat ook wel fijn, geen laptop, geen tv, alleen maar wat lezen. Dat deed me goed.
De enige kink in de kabel was natuurlijk de stress om Dibbes die ineens zo ziek was, maar inmiddels doet hij het weer.

Hij is wel hevig teleurgesteld dat aan de onbeperkte stroom van zacht versterkend nat voer een einde is gekomen.
Deze week heb ik twee dingen op stapel staan. Er komt iemand voor het jaarlijkse onderhoud aan de geiser en de verwarmingsketel en we gaan met Gerrie en Moos naar de dierenarts voor de jaarlijkse controle. Eindelijk, dat wordt hier al vier maanden opgeschoven.
In het kader van meer pret zou ik deze maand heel graag een keer naar de bioscoop gaan, bij voorkeur naar ‘The Favourite’. Duimen dat het lukt. Ik zou afgelopen zondag met M. gaan maar na alle stress om Dibbes lukte dat niet. Ik zit nu in een forse PEM.
Dus nu wachten tot er zich wel een gelegenheid voordoet en die dan grijpen, in plaats van planken schoonmaken of een was doen 😚.
Zieke Dibbes

Onderstaand verhaal is niet geschikt voor mensen die niet snappen hoe belangrijk huisdieren kunnen zijn in het leven. Dus behoor je tot die categorie, volgende keer beter! 😊
Vrijdagmiddag viel het op dat Dibbes niet naar beneden kwam voor brokjes. De katten krijgen verdeeld over de dag kleine porties en door hun ingebouwde klok waarvan het alarm staat afgesteld op een uur voor het daadwerkelijke eten, zaten er drie katten te wachten maar de vierde ontbrak.
Nu blijft er wel eens eentje langer een middagdut doen, zeker met koud grauw weer, maar een beetje vreemd was het wel. Pas in de namiddag kwam hij naar beneden, begon ineens enorm te blazen en toen te kotsen. Zo, dat was er maar uit. Hij wilde naar buiten gelaten worden maar stond een minuut later al weer binnen en rende naar boven.
Na een half uurtje ging ik even bij hem kijken. Toen hij me zag verstopte hij zich onder het bed. Dát was geen goed teken natuurlijk. Na een uurtje moest hij weer overgeven en daarna kroop hij weer onder het bed. Hij moest niets van me weten.
Toen M. thuis kwam, wilde meneer wel te voorschijn komen en installeerde zich op de bank tegen M. aan. Daar lag hij als een dood vogeltje, zich overduidelijk helemaal niet lekker voelend.
In de loop van de avond knapte hij iets op zodat we redelijk gerustgesteld naar bed gingen. Maar natuurlijk was ik er niet echt gerust op dus ging ik om één uur bij hem kijken. Hij was nog steeds flink beroerd zo te zien, zijn hele houding straalde misère uit. Even bij hem gezeten maar weer wilde hij absoluut geen contact met mij, dus ging ik maar terug naar bed. Maar ja, een beetje stresskonijn ben ik wel, zeker als het om mijn katten gaat, dus zat ik om drie uur al weer beneden. Slapen lukte toch niet dus ging ik Dibbes maar gezelschap houden.
Hoewel er tegen de ochtend wel iets verbetering was, hij zat overeind en keek wat meer geïnteresseerd om zich heen, belde ik onze dierenarts of we mochten komen. De praktijk is op zaterdagochtend alleen geopend voor afspraken maar soms mogen we wel eens tussendoor. En zou dat niet schikken, dan maar naar de dierenarts die weekenddienst had.
Hij at namelijk nog steeds niet. In tegenstelling tot een mens of hond die prima tegen een dag vasten kunnen, kan een kat dat niet. Een kat die niet eet – omdat hij bijvoorbeeld misselijk is – heeft kans op leververvetting. En door die leververvetting wordt een kat weer heel erg misselijk en is de kans nog kleiner dat hij weer gaat eten. Het is dus zaak altijd goed in de gaten te houden of je kat wel eet. Dibbes had nu 24 uur niets gegeten.
We mochten gelukkig dezelfde ochtend nog langskomen. Ik had hem voor de zekerheid in de vroege ochtend alprazolam gegeven, een kalmeringsmiddel, anders krijg ik hem niet in de mand.(*) Een half uur na toediening at meneer 3 brokjes, speelde even en viel toen in slaap.
We zijn toch gegaan. Want dat hij zich iets beter voelde lag waarschijnlijk aan de alprazolam, dat beaamde de dierenarts ook. Hij had geen koorts, er voelde niets vreemd aan in zijn buik, zijn gebit was ook goed (tandvleesontsteking kan ook voor eetproblemen zorgen). Maar dat hij niet at was wel zorgelijk. Dus kreeg hij een injectie met iets dat misselijkheid opheft.
Zou hij na de injectie eten en toch blijven overgeven, dan was er meer aan de hand en moesten we meteen naar de spoedarts gaan die dienst heeft dit weekend. Zou hij na de injectie niet binnen het uur willen eten, dan moesten we beginnen met dwangvoeren, we kregen daar de spullen voor mee.
Voor de zekerheid hebben we ook bloedonderzoek laten doen. Als we dat eventueel later op de dag, in geval van aanhoudend braken, bij de spoedarts moesten laten doen, dan betaalden we dubbel tarief. En dat bloedonderzoek was urgent als hij bleef braken.
Afijn, na €138 te hebben afgetikt stapte een doelgerichte Dibbes thuis de mand uit en verzocht luidkeels om eten. De dierenarts belde twee uur later op met het bericht dat alle bloeduitslagen goed waren. De kat van zes miljoen doet het weer! Nou ja, zo goed als. We merken wel aan hem dat hij zich nog niet helemaal jofel voelt. Dat kost nog wat tijd.
Wat het nu was? Waarschijnlijk toch een virusje of zo. En nu gaan mens en dier weer bijkomen, want het heeft er best ingehakt.
(*) voor nieuwe lezers: Dibbes is een getraumatiseerde exzwerfkat die we met veel moeite (en geld) hebben opgelapt en gesocialiseerd. Maar sommige dingen zijn nog te hoog gegrepen, zoals zelf in een mand stappen als hij ziek is.
Ben je kattenliefhebber? Alle verhalen over de katten, en het hele socialisatieproces van Dibbes en later Gerrie, staan op de kattenpagina.
