
Maand: januari 2019
Ik leef zoals ik wil

In de 11 jaar dat ik ME heb, zag ik heel veel behandelaars en artsen en die laten zich meestal verdelen in twee kampen: kamp 1 bestaat uit volk dat tijdens een consult niet één keer opkijkt van achter de computer en me – soms stralend maar nog vaker iets geïrriteerd want ‘ga nou maar weg jij aandachttrekker‘,- weet te vertellen dat ik niets mankeer. Dus al die symptomen, ja, die bestaan vast ook niet, het is in ieder geval niet hun pakkie an. En boven al die ongeïnteresseerde hoofden hangt een donderwolk met teksten als ‘Ga nu maar weg want ik heb liever een echte patiënt met een ziekte die blijkt uit gewoon degelijk onderzoek. Wat we niet zien is er niet en dus bestaat het niet. Ik kan niets met jou, dag!’
Natuurlijk klink ik heel zuur nu en zijn er ook artsen die anders aankijken tegen nog niet begrepen aandoeningen. Maar ik ben die op mijn zoektocht niet echt tegen gekomen. Laat staan dat ik – op een enkele uitzondering na – wat medemenselijkheid of empathie vanuit de zorgwereld ondervind. Dat ligt niet alleen aan artsen maar ook aan het zorgstelsel, waarin mensen worden opgesplitst in plakjes en stukjes, waarbij men heel veel over heel weinig weet. Met een multisysteemaandoening als ME is dat niet handig.
Als ik iets heb geleerd in al die jaren, dan is het dat ik hard moet wegrennen als iemand beweert mij te kunnen genezen. Als ik zou kunnen rennen tenminste.
Kamp 2 bestaat uit mensen die geheel vanuit een eigen invalshoek het ‘one size fits all’-geloof propageren. Ze hebben een trucje geleerd en welke klacht je ook hebt, als je maar precies doet wat zij adviseren, dan word je beter. En word je dat niet, dán doe je niet goed genoeg je best. Vaak zijn ze totaal niet onderlegd op het gebied van ME en hebben ze geen flauw idee wat ze jou als wanhopige patiënt aandoen als ze jou stralend vertellen dat je volgend jaar om deze tijd beter bent. Echt. Hoe vaak ik die hoop wel niet heb gehad. Hoe groter de hoop, hoe harder je valt.
Al die hoop op genezing die ik had, is stukgeslagen op de kortzichtige koppigheid van vaak alternatieve genezers die menen dat hun trucje, of dat nu acupunctuur of een ademhalingsmethode is, voldoende is om beter te worden. En ik werkte daar aan mee, je zal maar wanhopig zijn. Als ik iets heb geleerd in al die jaren, dan is het dat ik hard moet weg rennen als iemand beweert mij te kunnen genezen. Als ik zou kunnen rennen tenminste.
In mijn zoektocht naar genezing deed ik ook – jaren geleden – het VermoeidheidCentrum aan. Besloten werd dat ik hun behandelplan in mijn eigen regio zou uitvoeren. Dat betekent concreet dat je op zoek moet gaan naar eigen behandelaars die aan de slag willen met het behandelplan van het VermoeidheidCentrum. Het plan schreef onder meer een behandeling voor bij een psychosomatisch fysiotherapeut. Daar waren er toen een paar van in mijn woonplaats, ik deed iene miene mutte en belde er eentje op. Of ik langs mocht komen.
En óf ik langs mocht komen. Het enthousiasme knalde door de telefoon heen. Ze was HEEL geïnteresseerd in ME en wilde mij graag behandelen. Ik mocht de volgende dag al komen voor een anamnese. Haar behandelkamer leek meer op een sportzaal dan op een standaard fysiotherapieruimte. In de hoek stond een bureau met daarnaast twee stoelen en ik mocht plaats nemen. Ik haalde het behandelplan uit mijn tas en legde dat voor mij neer, in de hoop te kunnen zeggen wat dit was en wat de bedoeling was, als ze even haar mond hield.
Je bent niet ziek, je hebt beweegangst.
Een half uur later zat ik nog steeds te wachten tot ze even haar mond hield. Ik leerde veel terwijl er een tsunami van woorden over mij werd uitgestort: dat ze een vooringenomen troela was die meende dat ME geen aandoening is maar veeleer een verkeerd aangeleerde denkwijze en dat ik last had van beweegangst. Doordat ik die beweegangst had, reageerde ik krampachtig op alles wat met bewegen te maken had en kreeg ik klachten. Een self-fufilling prophecy.
Goh, nou wist ik eindelijk wat mij mankeerde. En zo knap van haar aangezien ze mij geen één vraag had gesteld, anders dan ‘kon je het vinden?’
Nu is het idee van beweegangst bij ME op zich niet heel vreemd. Het is ook best logisch dat als een beetje bewegen telkens wordt afgestraft met een terugslag van soms weken, ook al bestond die beweging uit de trap oplopen en meer niet, je angst krijgt om iets te doen. Maar je krijgt geen ME omdat je beweegangst hebt, je krijgt waarschijnlijk beweegangst omdat je ME hebt.
Alleen toentertijd (dit hele geval is jaren geleden) was ik nog niet zo lang ziek en had ik last van het tegenovergestelde van beweegangst, overmoed. Als ik maar dit of dat doe, dan komt het allemaal goed. Dus begon ik bijna maandelijks met een plan van bewegen en uitbouwen en stortte dan telkens volledig in. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat mijn lijf het zo liet afweten bij de kleinste bewegingen en negeerde continu signalen dat ik over mijn grenzen ging. Ik forceerde mezelf te veel en te vaak en zat daardoor in een neerwaartse spiraal waarin ik steeds slechter werd. Het behandelplan van het VermoeidheidCentrum was er juist op gericht om die grenzen te leren herkennen en te bewegen binnen die grenzen.
Helaas had mijn iene miene mutte-gok me geleid naar een vooringenomen roeptoeter die zonder ooit eerder een ME-patiënt te hebben gezien, precies wist wat de oplossing was. Die sportzaal was voor mij bedoeld en als het zo doorging dan haalde ze ook vast nog een zweep te voorschijn om die beweegangst eruit te slaan. Stap 1 van haar methode bestond eruit dat zij op een gele post-it ‘IK LEEF ZOALS IK WIL! schreef en dat, werkelijk waar, ongelogen, op mijn voorhoofd plakte. Dat was voortaan mijn levensmotto vertelde zij en stelde meteen een datum voor een volgende afspraak voor, want deze noot zou ze wel even gaan kraken. ‘Volgend jaar ben jij beter!’
Thuisgekomen bekeek ik de post-it en nam haar motto ter harte. Ik mailde dat ze wat mij betreft de plank volledig missloeg en dat ze kon opzouten met haar idiote aanpak, die gebaseerd is op haar vooroordelen over wat ik mankeer en niet op een gedegen anamnese. Dat ik behandelaars zoals haar niet nodig had.
Nou ja, ik schreef het een stuk netter. Zo laf ben ik nu ook weer wel.
Gelukkig zijn er ook andere behandelaars die wel weten wat ze doen. De beste indicatie voor een goede behandelaar op het gebied van ME is als ze meteen eerlijk zeggen niets te kunnen beloven. Ik ben voor een nationale verstopplek van fijne behandelaars die tevoorschijn kruipen op het moment dat je ze nodig hebt. En die geen post-its met levensmotto’s op voorraad hebben.
Kattentaal

Als ik de overloop oploop, zie ik de buurkat ongegeneerd gapend uit de werkkamer lopen. Dát was een fijne dut. Het mislukt om hem het huis uit te werken want hij gaat net buiten mijn bereik onder het bed zitten. Later rennen we rondjes om de eettafel en om de gitaar van M. heen en dan, nadat ik het heb opgegeven, verlaat hij het strijdtoneel met opgeheven hoofd op een door hem gewenst moment.
Wat dacht ik toch, ik zou beter moeten weten, van een kat verlies je altijd.
Omdat de buurkat ons zo frequent terroriseert, denken onze katten dat het normaal is. Het huis is schijnbaar een doorgangsstation van ongewenste vreemdelingen. Als je als tactiek altijd de andere kant opkijkt, heb je er bijna geen last van. Bijna. Naast deze kat komen er ook twee andere katten af en toe buurten. Echt leuk vinden ze het niet. Maar om nu in beweging te komen en het vreemde volk te verjagen?
Over katten gesproken, ik lees een interessant boek nu: I love happy Cats. Handleiding voor een gelukkige kat, van kattengedragstherapeut Anneleen Bru. Het boek werd me aangeraden door onze dierenartsassistente die ook kattengedragstherapeut is, toen we het hadden over het gedrag van Dibbes en Gerrie. Je kunt weinig verwachten van katten die zo lang op straat hebben geleefd. En vooral Gerrie begrijp ik soms niet. Hij laat zich nog steeds moeilijk benaderen en is regelmatig gestrest en ongelukkig. Ik zou graag willen weten hoe ik hem zich veiliger kan laten voelen.
De huiskat van tegenwoordig stamt af van de Noord-Afrikaanse wilde kat, een solitaire jager. Deze wilde kat ontwikkelde een heel scala aan gedragingen en manieren van communiceren om te overleven in verschillende omstandigheden. De huiskat beschikt nog steeds over ditzelfde pakket aan gedragingen en overlevingsmogelijkheden en daar heb je dus meteen het probleem. De van oorsprong alleen levende kat, leeft tegenwoordig op een oppervlak dat veel kleiner is dan wat zijn voorouder tot zijn beschikking had én vaak in een groep, omdat baasjes denken dat het gezellig is voor Flip als hij een vriendje krijgt. Dat levert dus stress op.
Katten zijn sowieso stressgevoelig. Ze zijn klein, kwetsbaar en daarom meestal conflictvermijdend. Sociaal contact anders dan paren zit niet echt in het genenkoffertje. Een kat voelt zich snel bedreigd en veel van hun gedrag komt daaruit voort. Uit voorkomen dat ze ontdekt worden, denk aan het begraven van de poep, zodat een vijand die niet ruikt. Denk aan het schrapen rond de etensbak, dat een verwijzing is naar het begraven van eten, om dezelfde reden. Katten zijn om dezelfde reden enorme routinedieren: elke dag of zelfs meerdere malen per dag hetzelfde loopje doen, om te scannen of alles nog wel klopt. Om die reden zijn ze ook snel gestrest als iets afwijkt of verandert, want dat betekent vanuit hun genenpakket bedreiging. En dat laatste is natuurlijk nogal eens het geval in een huishouden met mensen en meerdere katten want daar verandert regelmatig iets.
Om zich veilig te voelen moet een kat zoveel mogelijk keuzes hebben. Keuze waar hij slaapt, eet, jaagt, speelt. Meerdere verstopplekken in een huis. Er moet veel keus zijn want de plekken wisselen voortdurend, afhankelijk van de gevoelde bedreigingen. Zeker als er andere katten in huis zijn. Door middel van geursporen communiceren ze met elkaar, verdelen ze de plekken om de harmonie te bewaren. Zo zie je hier vaak dat ze om en om in hetzelfde kistje liggen te slapen, dan ligt Dibbes er in de ochtend in en Smoes in de middag. En zeggen ze met hun achtergelaten geuren als het ware ‘ik was hier vanmorgen, doe jij dan nu je ding, dan kom ik vanavond weer terug’.

Er staan veel leuke feitjes in het boek. Dat bijvoorbeeld kont aan kont liggen niet betekent dat ze elkaars gezelschap opzoeken, maar dat ze beiden op dezelfde plek willen liggen en elkaar dus om wille van de plek tolereren. Liggen ze met de koppen naar elkaar toe, dan hebben ze elkaar wel opgezocht. Dan gaat het niet om de plek maar om het gezelschap.
Niet alles is logisch in mijn ogen. Bru schrijft meerdere malen dat katten het vaak niet plezierig vinden om geaaid te worden. Een kattenvacht het is extreem gevoelig en het zou pijnlijk aanvoelen. Nu heb ik in de 30 jaar dat ik katten heb blijkbaar alle uitzonderingen getroffen want ik heb aaiverslaafde katten. Mits ik het doe op een door hen gewenst moment.
Of ik Gerrie nu beter begrijp weet ik niet. Het probleem met Gerrie is dat hij zelf de onderlinge signalen ook nooit heeft leren interpreteren. Dus hij benadert de andere katten vaak op de verkeerde manieren en vangt de signalen niet op dat contact niet gewenst is.
Andersom is hij naar mij toe extreem aanhankelijk maar o wee als ik hem verkeerd aanhaal. Of nies. Of kuch. Hij blijft ook na 4 jaar nog extreem schrikkerig. En ik geloof dat het beste wat we kunnen doen, is hem accepteren zoals hij is. Binnen de mogelijkheden die hij heeft, is hij best gelukkig.
Ben je een kattenliefhebber dan is het boek aan te raden. Minpunten vind ik de beroerde opmaak (een absurd groot lettertype afgewisseld met blokken tekst in hele kleine iele lettertjes in lichtgroen of lichtoranje vind ik echt niet leesbaar) en het feit dat Bru uit België komt en ik wel wat moeite had met het Vlaams. Dat is natuurlijk wel jammer aangezien mijn vader in Antwerpen geboren is, maar verder dan de centrifuge een droogzwieper noemen ging de Zuid-Nederlandse taalopvoeding niet.
Zaterdag
Deze week was mijn agenda maagdelijk leeg. De dingen die ik van plan was, had ik geschrapt. Ik ben nog niet hersteld van de onverwachte wandeling die ik vorige week zondag had en heb bijna de hele week plat gelegen. Ik ben er helaas nog lang niet voel ik.
Wat deze week wél moest gebeuren en wat ik dus door liet gaan, was een bezoekje aan de dierenarts met Dibbes en Smoes voor hun enting en controle. Ik had het kunnen verplaatsen maar er staan ook wat andere dingen op stapel de komende tijd zoals de verjaardag van puber, een bezoek aan de orthomoleculaire therapeut en de laatste controle bij de orthodontist, dus leek het me toch beter de dierenarts deze week te doen.
De dierenarts dus. Dat ging heel goed. Dibbes smikkelde verrukt zijn stukje kaas met daarin verstopt een kalmeringspil naar binnen en ik kreeg hem 2 uur later heel makkelijk in de mand. Ik heb vorig jaar het in de mand stoppen heel intensief met hem geoefend, dus ik dacht ook niet daar grote problemen mee te krijgen. Dat pilletje is vooral voor wat er daarna gebeurt: de reis ernaar toe en de controle zelf. Hij kan onderweg nogal eens in paniek raken en helemaal uit zijn plaat gaan. Nu met dat pilletje viel dat reuze mee. Al liet hij wel het zieligste miauwconcert ooit horen. Het voordeel van die pil is dat hij achteraf geen herinnering aan de gebeurtenis zelf overhoudt. Dat dit echt klopt bleek wel toen hij thuis uit de mand stapte en gewoon uitgebreid ging liggen rollen en knuffelen.
Beide heren waren in top conditie, gewicht was goed, gebit was goed. Bij Smoes werd er nog even uitgebreid aan de schildklier gevoeld maar ook daar is alles na de operatie van afgelopen juli helemaal goed. Dus konden we weer naar huis. Ik was enorm opgelucht want het was voor het eerst sinds we Dibbes hebben dat de jaarlijkse controle niet de aanzet was tot vervelende dingen als onderzoeken in het dierenziekenhuis in Amsterdam (hartruis) of kiezen trekken (maar liefst drie keer gedaan dus er valt ook niet veel meer te trekken).

Komende week wordt op dinsdag eindelijk mijn scooter gehaald en hopelijk gerepareerd. Vrijdag moet ik naar de fysio maar ik heb al een lift geregeld voor als de scooter dan nog niet terug is. En verder houd ik me rustig, heel rustig. Van die sprankjes energie waar ik laatst over schreef, is niets over gebleven. Dus ik ga weer plat de komende tijd tot ik voel dat ik weer op een acceptabel niveau zit. Ik ben meer dan anders gemotiveerd om dit te doen omdat ik vorige keer merkte dat die energie kwam na een periode van heel veel rust, weinig stappen zetten op een dag en monitoren op mijn ochtendhartslag in rust.
Dat rustig aan doen lukt goed want ik kijk nu Prison Break op Netflix. Vijf seizoenen! Ik ben geloof ik de enige die dat nog nooit had gezien, maar wat is het spannend. En soort Orange is the New Black maar dan met mannen en wat minder humor.
Fijn weekend allemaal!
Niets

Het is even vol in mijn hoofd. Niets ergs maar wel zo vol dat er geen ruimte is voor andere dingen zoals schrijven. Veel regeldingen die aandacht vragen. En mijn lijf wil niet, moet nog bijkomen van de ongeplande wandeling van zondag.
Dus dan maar een bericht over niets.
En een mooie foto van de kat die gespecialiseerd is in zielig kijken.
Dag!
De week

Sinds kort gaat het eigenlijk best goed met mij. Ik voel me bij vlagen iets energieker. Niet dat ik nu ineens veel meer doe, het is het verschil tussen volledig uitgeput opstaan en me met lood in de schoenen aankleden, of redelijk opstaan en me aankleden, waarna ik niet meteen weer een uur plat moet om bij te komen.
Dit om even duidelijk te maken dat als ik zeg dat ik mij goed voel, dat waarschijnlijk iets anders is dan wat de meeste (gezonde) mensen zich daarbij voorstellen. Ik heb ook gemerkt dat mensen nogal eens denken dat alles meteen helemaal goed is (miraculeus genezen!) als ik meld dat het goed of iets beter gaat.
Dat komt wellicht ook door mijn gedrag. Ik kan nogal enthousiast en uitbundig reageren en verbaal nogal krachtig uit de hoek komen. Dus als ik lyrisch zeg dat ik een paar topdagen had, dan heb ik het over dagen dat ik niet eind van de middag met pijn en totaal uitgeput op de bank lig en dat het lukt om tijdens het avondeten aan tafel te blijven zitten, in plaats van halverwege de maaltijd naar de bank te verhuizen omdat zitten niet meer lukt. Dit om alles even in perspectief te plaatsen. Een topdag is in mijn wereld een dag met weinig pijn en waarop ik de dagelijkse dingen zonder al te veel moeite kan doen.
Dat gezegd hebbende, had ik afgelopen week een topweek! Want ik heb dus bij vlagen iets meer energie. En dat voelt zo goed! Ik denk dat mijn tactiek om meer te monitoren op de ochtendhartslag in rust, effect heeft. Het helpt me beter te pacen. Dat én de behandeling bij de orthomoleculair therapeut. Ik zal er binnenkort weer wat meer over schrijven.
Ik vouwde een was op (dat was me al weken niet gelukt), we kregen de scooter weer aan de praat met behulp van de tips van de brommerwinkel waar ik hem kocht. Vriendin I. kwam een uurtje langs voor een kop koffie. Dat was fijn want ik had haar bijna een jaar niet gezien! En ik ging weer naar de fysio, na een pauze van bijna 6 weken.
Daarna was het even minder. Ik had een fysieke terugslag van het aantrappen van de scooter met de kickstart. Ik wilde perse dat dit mij zonder hulp van M. zou lukken. Dat geeft me een veiliger gevoel. Als ik dan ergens strand, kan ik het zelf oplossen. Het is een kwestie van oefenen. Net als dat ik de scooter in het begin nauwelijks op de standaard kreeg, zo zwaar vond ik hem, en nu doe ik dat vrij makkelijk. Niet op een slechte dag, dan lukt het niet, maar dat maakt niet uit want dan blijf ik toch in bed liggen.
Afijn, topweek dus met daarna twee dagen fysieke terugslag. En tóch gingen we naar de film zondag. De teleurstelling van vorig weekend indachtig, toen ‘The Favourite’ was uitverkocht, kocht ik zaterdagochtend vroeg al kaarten voor zondagmiddag. En merkte daarna pas dat ik een terugslag had. Zal je altijd zien. Maar ik moest en zou naar de film, dus lag ik veel plat om dat mogelijk te maken. En het lukte! Het was niet het slimste wat ik kon doen maar wel het fijnste. En dat is soms ook nodig.
Vroeger was ik altijd op zoek naar GELUK, naar MEER en BETER. Een van de voordelen van zolang weinig tot niets kunnen doen is, dat ik tegenwoordig waanzinnig blij en lyrisch kan worden van hele kleine dingen: buiten kunnen zijn, een fijn gesprek met mijn vriendin, douchen zonder daarna in te storten, een wandeling van 5 minuten. Alles voelt prettiger als het gewone dagelijkse leven niet een permanente fysieke strijd is. En het is top als er buiten het dagelijkse riedeltje van douchen en koken ook nog iets extra’s kan. Dus van die film genoot ik. Heel erg. Heb ik al gezegd dat ik genoot. Ik genoot!
Dát was het goede nieuws.
Het slechte nieuws is dat mijn scooter toch weer in alle talen zweeg toen ik na de film weg wilde rijden. Kickstart lukte niet, ook M. kreeg het niet voor elkaar. Dan maar lopen naar huis. M. duwde de scooter, ik liep met zijn fiets in de hand. Dat was pittig, heel pittig. Maar die film was leuk.
Als jullie me dan nu willen excuseren, dan ga ik even instorten en weer opladen.
(Afbeelding Pixabay)
Review: De onschuld

Tracy Chevalier is een voor mij tot nu toe onbekende auteur. De hype rond ‘Meisje met de parel’ is mij niet ontgaan en ik wist ook wel dat ze historische romans schrijft maar op de één of andere manier kwam het er maar niet van. Volgens mij was het Ogma’s Mirjam die een tijd geleden iets schreef over ‘De onschuld’, ook van Tracy Chevalier en toen ik bij haar de woorden circus, Londen en 18e eeuw in één zin las, rende ik als het ware meteen naar de bieb toe. Dat moest ik lezen! Dus las ik het en nu wil ik alles van Chevalier lezen.
De familie van Jem Kellaway laadt na een groot verlies in het gezin hun boedel op een kar en vertrekt naar Londen. De vader van Jem kan daar aan de slag als stoelenmaker en timmerman voor Philip Astley, de eigenaar van een groot circus. De overgang van het rustige dorpje waar ze woonden naar het grote Londen is groot. Al snel leert Jem Maggie kennen, in alles zijn tegenpool, ze is wereldwijs, brutaal, heel ondernemend en de twee kinderen, bijna pubers, raken bevriend met elkaar én met de buurman van Jem, de dichter William Blake.
De familie Kellaway vindt langzaam haar weg in de nieuwe leefomgeving maar de revolutie in Frankrijk laat ook zijn sporen na in Engeland. Verhoudingen worden op scherp gezet en mensen worden gedwongen loyaliteitsverklaringen aan de koning te tekenen. De stemming wordt steeds grimmiger en grijpt in op het dagelijks leven van Jem en Maggie.
Wat grote indruk maakte was de geweldige sfeerbeschrijving van het dagelijks leven en de leefomgeving van de mensen. Maggie werkt in de mosterdfabriek en is na een dag werken geel van de mosterd en snuit bloed. De straten van Londen zijn op koude dagen altijd mistig, niet zozeer door het weer maar door de walm van de kolen die verstookt worden en de ogen van de mensen zijn om die reden rood en betraand. De wereld is grauw en ellendig en het circus van Philip Astley biedt mensen de broodnodige afleiding.
Mooi, heel mooi.
Tracy Chevalier
De onschuld
382 pagina’s
Het is niet persoonlijk bedoeld

Dat ik me goed voelde, was verbazingwekkend want ik had behoorlijk slecht geslapen. Voor de zekerheid bleef ik heel lang in bed liggen maar zo rond 11 uur concludeerde ik dat het lijf zich echt redelijk gedroeg. Sterker nog, ik voelde me eigenlijk wel heel aardig! De vraag drong zich op: wát ga ik met die energie doen?
Met de blamage van vorige keer in gedachten, besloot ik de was te negeren die klaar lag om te worden opgevouwen. Het was bovendien heel zonnig buiten dus leek een uitstapje me een beter idee.
Dus appte ik mijn moeder en die zag het wel zitten als ik even langs kwam. Ik had haar twee weken niet gezien. Ze is sinds ze geen auto meer heeft minder mobiel. Maar ik heb een scooter en voelde me goed, dus daar ging ik!
Alleen wilde de scooter niet starten. Er kwam alleen maar een raar hees geluid uit. Paar keer geprobeerd maar zelfs deze nitwit heeft wel iets gehoord van een startmotor die kan verzuipen dus echt lang durfde ik dat niet te proberen.
Wat nu? Ik heb geen kracht om het met de kickstart te doen, ontdekte ik na twee pogingen. Dan maar de gegevens van mijn dealer opgezocht. Die is dicht op maandag. En om nu een alarmcentrale te bellen omdat mijn scooter niet wil starten leek me wat ver gaan. Niet als de reden van op weg gaan een kopje thee elders was. Ik stond immers niet met pech op de dijk in de regen.
Dus moedertje weer geappt dat het feest niet doorging. Zij stelde voor naar mij te komen met de fiets. Maar inmiddels zat ik er al doorheen. Een beetje stress, wat dingen proberen en uitzoeken en weg energie.
Het universum is echt niet tegen mij. Maar soms voelt het wel zo.
En dan, dán kost het me wel eens heel veel moeite om het niet persoonlijk op te vatten. Er is zó weinig beweegruimte, 9 van de 10 keer gaat een plan dat ik verzin mis. Is het niet vanwege gebrek aan energie of pijn in het lijf, dan is het wel door uitverkochte bioscoopkaarten omdat ik pas kort voor een voorstelling kan besluiten of ik echt weg kan gaan of een klote scooter die niet doet wat hij moet doen. En zit ik een half uur nadat ik bedacht om naar mijn moeder te gaan, uitgeput en met pijn op de bank zonder überhaupt de tuin uit te zijn geweest, me een domme uitgebluste muts voelend die van elke scheet fysiek zo van de rel raakt dat het gewoonweg gênant is.
Nu had ik drie problemen: ik had energie maar die was verdwenen, mijn scooter wilde niet starten en ik gaf die irritante roeptoeter in mijn hoofd heel veel ruimte om mezelf genadeloos af te fakkelen. Natuurlijk weet ik dat het geen zin heeft me zo op te winden, het brengt me nergens om zo te denken, het is allemaal niet persoonlijk bedoeld, bekijk het positief, er zijn geen dooien gevallen, morgen weer een dag en kop op. Alleen nu even niet. Het universum is echt niet tegen mij. Maar soms voelt het wel zo.
Als jullie me nu even willen verontschuldigen, dan wentel ik me lekker in zelfmedelijden tot ook dat te gênant wordt en dan doe ik morgen weer alsof er niets aan de hand is. Beloofd!
De week
Afgelopen week was heel erg oké. Buiten een stressdag en een bijkomdag door het dierenartsbezoek, hield ik me heel erg rustig en voelde ik me redelijk.
Ik las een prachtig boek (binnenkort review want aanrader) en begon met een volgend boek. Op woensdag ben ik naar buiten geweest en heb ik even gewandeld. Het was toevallig ook net op dat moment stralend zonnig en lekker koud, zalig. Het voordeel van de rollator is dat ik kan gaan zitten wanneer ik voel dat dit nodig is en dat ik dan niet nog even 30 meter moet doorlopen op zoek naar een bank.
Dus zat ik tussendoor drie keer en voelde me intens tevreden. Grappig genoeg voel ik me na zo’n wandeling van hooguit 1000 stappen hetzelfde als ik me vroeger kon voelen na een uur flink doorstappen: je komt van buiten in de kou binnen in een warm huis en je begint helemaal te gloeien. Heerlijk.

Ik ruimde meteen wat glaswerk in het park op. Zo asociaal dat mensen dat laten liggen!
Verder had ik me zondag helemaal opgepept om naar de film te gaan: The Favourite. Een kostuumdrama/ komedie dat zich speelt in de 18e eeuw aan het hof van de Engelse Koningin Anne. Helaas bleek de voorstelling van half vijf te zijn uitverkocht. Ik dacht ruim op tijd te zijn toen ik online om 13 uur kaartjes ging kopen, helaas. De avondvoorstelling is geen optie voor mij dus nu maar hopen dat de film volgende week nog draait.
Deze week heb ik verder geen verplichtingen, buiten een fysio behandeling op vrijdag, dus kan ik me nu weer koest houden en gaan bijtrekken zodat ik bij het eerstvolgende sprankje energie iets leuks kan gaan doen!.
Fijne week allemaal!
Dierenarts

Nou daar gingen we, naar de dierenarts voor de jaarlijkse enting van Gerrie en Moos. Of wacht, daar ging nog wat aan vooraf.
Om Gerrie in de mand te krijgen moet je goed beslagen ten ijs komen. Deze ex-zwerfkat kwam vier jaar geleden in ons leven en was geen menselijke aanraking gewend. Ik heb hem de eerste periode met een afwasborstel heel zacht over zijn rug geaaid als hij kwam eten. De eerste paar keer vond hij dat doodeng maar de honger was groter dan de angst. Heel langzaam wende hij zo aan aanraking en menselijk contact en leerde hij ons vertrouwen. Alleen dat laagje vertrouwen is heel dun en er hoeft maar iets te gebeuren en er blijft pure angst over.
De eerste paar jaar was het vreemd genoeg nog wel mogelijk om hem – toen hij eenmaal wat gewend was – op te tillen om bijvoorbeeld een pilletje te geven. Maar blijkbaar is hij dat gaan associëren met vervelende dingen, dus dat lukt niet meer. Het vreemde is dat hij wel heel aanhalig is. Ligt in bed tegen mij aan, vraagt aandacht op het opdringerige af, geeft kopjes en kusjes en zit soms minuten lang neus aan neus met mij. Maar dat is allemaal op zijn initiatief. Benader ik hem, dan blijft hij schrikkerig.
Toch zullen we wel een keer per jaar met hem naar de dierenarts moeten gaan, voor een enting en controle. Met zijn verleden van slecht en onregelmatig eten is het denk ik goed om hem regelmatig te laten onderzoeken. Ook omdat hij een hartruis heeft, iets wat helemaal niet erg hoeft te zijn maar wat wel goed is om te monitoren.
Leuk is anders. Elk jaar levert het bezoek aan de dierenarts veel stress op, bij hem en bij mij. Want ik ben de boeman die hem in de mand propt. Dit jaar dacht ik toen de oproep van de dierenarts kwam, slim te zijn. Ik ging eerst oefenen met optillen, besloot ik. Het optillen belonen met lekkers. En van daaruit zouden we gaan oefenen met de mand.
Dat probeerde ik al eerder en dat was toen een grote faal, en nu helaas weer. Met Dibbes lukt dit wel (ook een ex-zwerfkat) maar Gerrie wil het niet, doet het niet, verdomt het. Hij werkt een paar keer mee en dan rent hij keihard weg. Dus besloot ik dan maar weer over te gaan op alprazolam, een kalmeringsmiddel. Is hij eenmaal wat rustiger dan krijg ik hem wel in de mand.
Alprazolam krijg hij ook altijd op oudejaarsavond. De eerste pil diende ik afgelopen keer toe toen hij lag te slapen. Dat was dus een groot verrassingseffect. Heel vals van mij maar wel effectief. Bij de tweede pil later op die dag ontdekte ik dat hij het prima vindt om een stukje jonge kaas met daarin een pil verstopt, te eten. Vorig jaar lukte het op die manier met wat gerookte zalm.
Dus stapte ik afgelopen vrijdag vol zelfvertrouwen op Gerrie af met een stukje kaas met pil. Hij pakte het gretig aan, harkte het naar binnen met zijn tong en werkte het met dezelfde snelheid weer naar buiten. Dát moest hij niet! Dan maar op goed geluk. Gewoon eten gegeven en hem snel opgetild. Binnen een seconde was Gerrie aan de andere kant van het huis, droop er bij mij bloed uit diverse wonden en was mijn hartslag 130.
Afijn, eerst maar eens kalmeren. De man verzorgde mijn hand, dat was een lelijke jaap, en ik probeerde me te ontfermen over mijn hysterische brein. Ik had nog twee uur en een kwartier voordat we bij de dierenarts moesten zijn en zo’n pil heeft twee uur nodig om te gaan werken. Zonder pil, geen mand en geen dierenarts.
Ik had nog wat easypill. Dat is een kneedbare pasta die smaakt naar kattenbrokjes waar je een pil in kunt verstoppen. In het verleden was dit één keer een daverend succes maar werd het de volgende keer vol walging uitgespuugd.
Nu ben ik niet voor een gat te vangen, dus verstopte ik de pil in de pasta, vermaalde in de vijzel wat van zijn lievelingsbrokjes (Oral Care van Royal Canin) en rolde het stukje pasta er doorheen. Nu was het nét een normaal brokje en ook precies het formaat van zijn favoriete brokjes. Meneer zat me op de trap vol argwaan te bekijken, maar kon zijn favoriete brokjes niet weerstaan toen ik er vier aanbood, waarvan er dus eentje een wolf in schaapskleren was. Het werd gretig naar binnen gewerkt.
Nu gingen we over op fase twee van Operatie-Gerrie-in-de-mand: lekker op bed liggen en wachten tot de pil ging werken. Meestal komt hij bij me liggen als ik op bed lig en dat was nu ook het geval. Alleen bleef hij akelig alert tot het moment dat de man naar boven kwam met de mand. We hadden alles doorgesproken. Ik zou Gerrie pakken en met mijn rug naar de deuropening toe gaan staan zodat hij niet zou zien dat M. met de mand binnen kwam. Nou zag Gerrie dat sowieso niet, toen puntje bij paaltje kwam werd het een potje vrij worstelen waar kat en mens met een diepe wond in de ziel weer uit kwamen. Maar goed, hij zat in de mand. En zit hij daar eenmaal in, dán is hij zo mak als een lammetje, verstijfd van angst.
Op naar de dierenarts waar alles goed ging met Gerrie. Mooi op gewicht, gebit was goed en ‘hoppa, doei, tot volgend jaar‘. Met de dierenarts besproken welke dosis kalmeringsmiddel misschien meer effectief is voor een volgende keer. En mentaal een notitie aangemaakt dat ik een volgende keer kaas, gerookte zalm, leverworst én easypill paraat moet hebben alsmede een extra voorraad pleisters. Voor het geval dat.
Moos was ook mee. Die was niet goed op gewicht, beet de man in zijn hand toen hij zijn enting kreeg en heeft zowel op de heenreis en terugreis continu gejammerd. Maar dát is een heel ander verhaal.
