Schoonmaakwerk

Tijdens mijn middelbare schooltijd en studententijd heb ik meerdere bijbanen gehad. Ik pakte waxinelichtjes in bij Verkade,  werkte als kokkin voor een bejaarde heer, als kassamedewerker bij een tuincentrum, als telefoniste bij een 06-lijn (vraag maar niets 😉 ) en als schoonmaakhulp bij bejaarden.

Omdat het me wat opbrak om bij het tuincentrum te werken – ik woonde in Amsterdam en werkte in de weekenden bij Tuincentrum Koelemeijer in Wormer – solliciteerde ik naar de functie van Alphahulp voor bejaarden. Ik werd aangenomen en kreeg een strikte lijst van uit te voeren werkzaamheden mee van wat ik wel en niet mocht doen voor de bejaarden.

Niet dat die bejaarden zich daar ook maar iets van aantrokken. Ik stond bij min 5 graden buiten ramen te lappen en werd ook ingezet om de tuin te snoeien of een slaapkamerwand te schilderen. Ik vond het allemaal best. Natuurlijk maakte ik ook wel het huis schoon. Maar de belangrijkste taak was toch wel het aanhoren van hun verhalen.

Ik had twee adresjes: bij mevrouw Frie en mevrouw De Jong. Ze waren al eind tachtig toen ik zo eind jaren tachtig voor hun werkte dus ik verwacht dat ik hun privacy niet schend, gezien de grote kans dat ze al jaren geleden zijn gaan hemelen.

Mevrouw Frie had ook nog een meneer Frie maar die overleed de dag nadat ik daar voor het eerst was geweest. Ik ga ervan uit dat er geen oorzakelijk verband was. Werd ik de eerste week nog verwelkomd door een echtpaar op leeftijd, de week erop trof ik een kersverse weduwe aan die meteen aangaf niet meer open te staan voor een nieuwe liefde. Het kunstgebit van meneer Frie op het nachtkastje had ze nog net kunnen verdragen maar wennen aan een nieuw kunstgebit en de eigenaar daarvan, nee dáár begon ze niet meer aan.

Zij was een ijskonijn. Weinig hartelijk en behoorlijk streng. Ze had een zoon maar die zag ze nooit en het merendeel van het gemopper ging dan ook over hem als ik daar was. Des te blijer verrast was ik toen ik daar op een middag kwam en ze taart voor me had. Ze was jarig geweest en had twee gebakjes, één voor mij en één voor haar. En net toen ik na anderhalf uur poetsen pauze mocht nemen, mijn mond open deed en er een hap gebak in wilde schuiven, werd er aangebeld. Ik deed open, het was de zoon, de uitvreter, het stuk ellendeling, de ontrouwe hond. Hij werd door haar als een koning onthaald.

In de tijd die ik nodig had om de beste man naar binnen te laten had zij mijn gebakje naar zich toe geschoven, wierp me een dwingende blik toe en zei dat ik vooral door moest gaan met schoonmaken maar dan buiten de woonkamer. Zij ging een gebakje eten met haar zoon. 

Mevrouw de Jong was een stuk hartelijker. Leefde al jaren alleen, had weinig geld en kwam maar moeizaam rond maar was enorm gul, zowel in aandacht als in kleine gebaren. Elke keer wanneer ik daar kwam stond er een bakje met rode besjes voor mij klaar, van die zure waar je hele bek van samentrekt. Zo lief. Die werden gelukkig bedolven onder een paar flinke scheppen suiker. Ik heb haar nooit durven vertellen dat ik niet van rode bessen hield.

We ruimden samen haar huis op en gingen door al haar spullen. Ze wilde niet dat iemand na haar dood alles moest uitzoeken. Dat voelde ook als een inbreuk op haar privacy. Dus zochten we alles uit, deden veel weg en heel soms mocht ik iets meenemen. Dat hield ik af, het is natuurlijk niet de bedoeling dat je als Alphahulp cadeaus aanneemt – voor je het weet word je beschuldigd van het leegplukken van bejaarden – maar tegen een helblauw minitheepotje kon ik toch geen nee zeggen. Daar genoot ik jaren van tot een kat het omstootte.

Ze was wel wat precies en pietluttig. Maakte ik de badkamer schoon, dan stond ze achter mij aanwijzingen te geven. Ze leek wel een richting aanwijzer – nu wat naar links, ja dat stukje daar – maar dat was eigenlijk het enige nadeel aan haar.

Ik heb het niet heel lang volgehouden. Het betaalde slecht en toen ik via een vriendin de kans kreeg kokkin bij een bejaarde heer te worden, sprak me dat veel meer aan. Ik ben nooit een poetswonder geweest, koken daarentegen…

(Afbeelding Pixabay)

Schuldig

En dat terwijl óók de klok is terug gezet. Ik zie geen zichtbare signalen van schaamte bij de heren. Alleen onvrede dat ik niet meteen wakker werd, brokjes gaf en de deur opendeed. Tssss.

Actie en reacie

Omdat niets loopt in het leven zoals gepland, is het belangrijk dat je leert meeveren en anticiperen op onverwachte gebeurtenissen. Nou is de ene gebeurtenis natuurlijk de andere niet, maar kort gezegd is bij mij alles wat afwijkt van het normale stressvol en dat heeft impact. Meer impact dan de situatie zelf zou moeten hebben. Actie en reactie zijn bij mij al jaren volledig uit balans. Dat is zo met vervelende stressvolle gebeurtenissen maar helaas ook met leuke afspraken waar ik van geniet.

Dat komt omdat mijn stressthermometer kapot is. Het ding slaat overal van uit. Je kunt ook zeggen dat ik van alles overprikkeld raak. Sterke geuren, geluid, felle kleuren zorgen allemaal voor reacties. Zo ook gebeurtenissen die om directe actie vragen of die langer duren dan ik aankan. En wat ik aankan, verschilt nogal eens.

Hoewel ik echt een enorme kletskous ben – ik kan echt overal over praten – en van nature heel sociaal, moet ik tegenwoordig altijd zorgen dat ik er een rem op zet. Ik bescherm mezelf. Want van veel praten krijg ik ook lichamelijke reacties. Ik heb snel last van mijn stembanden maar ik krijg ook echt letterlijk spierpijn. Ga ik eens mijn grenzen over, dan voel ik de gevolgen nog dagen in mijn hele lijf.

Om die redenen zijn veel acties hier afgebakend. Komt er iemand klussen in huis dan is dat bij voorkeur als de man thuis is en zit ik boven. Ik houd me verre van dat soort dingen. Uit zelfbescherming. En ook omdat zelf afhandelen dus een prijs heeft die niet in verhouding tot de actie zelf staat.

Daarom baalde ik flink toen afgelopen woensdag de WC kapot bleek te zijn. De vlotter was afgebroken en doortrekken lukte niet meer. Dat is toch best vervelend met maar één WC in huis. M. was op zijn werk dus moest ik het toch echt zelf oplossen.

Eerst maar eens Zus gevraagd of dit iets is voor een loodgieter. Ja, dat is iets voor een loodgieter. Een nummer opgezocht en gebeld met de vraag of wij diezelfde dag nog geholpen konden worden. Dat kon gelukkig, tussen 1 en 3.

Meer was het niet. Daarna de telefoon neergelegd en met verbazing geregistreerd wat er met mijn lijf gebeurde. Hartslag die absurd hoog bleef, overmatig zweten, trillen. En dan stond de loodgieter nog niet eens in huis.

M. gemaild dat de loodgieter onderweg was. Hij reageerde dat hij naar huis kwam. Ik vond dat niet nodig – ‘het is zoals het is’ zei ik stoer – maar hij zei dat de applicaties op het werk er toch al uit lagen en dan kon hij de was doen die klaar stond en voor het avondeten zorgen.

Mijn man. Die naadloos en zonder morren na zoiets overstapt op plan B omdat hij weet dat iets lulligs en onbenulligs als een kapotte plee mij volledig onderuit kan halen.  Ik ben blij dat hij altijd die klappen opvangt zonder mij ooit het gevoel te geven dat het te veel is. En dat we elkaar nog steeds kunnen uitlachen en toelachen in dit huis.

Overigens bleek onze WC héél oud – dat wist ik wel,  het jaren ’70 retro groene toilet was daar wel een indicatie van – en zijn de onderdelen van dergelijke vlotters niet meer te krijgen. Dat betekende dat er een nieuwe WC geplaatst moest worden de volgende dag. Dus liepen de kosten nogal op. Maar heel onverwacht is dat natuurlijk niet met een oud huis dus haalden we ook dit maar weer van de buffer.

Vervelend vond ik het wel. Niet vanwege die WC, uiteindelijk is een frisse nieuwe pot waar je al eerste op kunt poepen best fijn. Maar vanwege de gevolgen. Niet alleen was mijn brein hysterisch en mijn lijf van de rel, ook Gerrie en Dibbes waren dat. Die zijn in blinde paniek het huis uit gevlucht toen het klussen begon. Gerrie kwam nadat het klaar was weer snel terug maar Dibbes reageert altijd wat extremer dus die was uren weg. Wat mij weer geagiteerd maakte. Ik weet dat hij altijd weer terugkomt, maar toch. Dat belooft ook weer wat over een paar weken als het dakraam wordt vervangen. Arme Dibbes.

Een ander gevolg was dat ik daardoor donderdag niet naar de begrafenis kon gaan waarvoor ik deze week mijn energie aan het sparen was. Want wél gaan zou een roodstand hebben opgeleverd die ik voor mezelf niet kon verantwoorden. Komt natuurlijk ook door de gebeurtenis zelf, die is al beladen, veel prikkels, veel verdrietige mensen, lang zitten. Dat vroeg een reserve van mij die er niet was door een kapotte WC.

Het is zoals het is maar soms is het meer klote dan anders.

Joris

Hoewel ik dol ben op kittens heb ik er weinig ervaring mee. Het dichtst in de buurt komen Smoes en Moos die naar schatting drie tot vier maanden waren toen we ze vonden (Moos) en via het asiel kregen (Smoes). Dat komt ook omdat ik mezelf nooit toestemming heb gegeven om zo vanuit een nestje een kitten te nemen. Ik vind dat wie een huis nodig heeft, de weg wel naar ons vindt. Kittens komen meestal wel terecht maar oudere katten waar iets mee is, hebben meer moeite om een huis te vinden.

Zo was het ook met mijn eerste kat, Joris. Een zwart-witte koe-kater van 6 kilo met een nogal uitgesproken karakter. Hij zwierf begin jaren ’90 op de Prinsengracht in Amsterdam en werd daar gevoerd door bewoners. Toen hij ziek werd brachten ze hem naar het dierenasiel. Daar zat hij te verpieteren want niemand wilde hem. Hij was nogal wild en onaangepast.

Toen ik op een dag besloot het kattenleed in de wereld te verminderen door er op zijn minst eentje te redden, toog ik naar het asiel met mijn huisbaas B. Hij had een auto en ik niet, vandaar. 

Doet u mij de kat die hier het langst zit‘, zei ik zelfverzekerd. Waarop me werd verteld dat dát niet aan te raden was, het beest was een kreng. Na wat onderhandeling besloten we dat ik even met de kat alleen mocht zijn om te kijken of er een klik was.

Die was er niet, meneer zat met zijn rug naar me toe en keek niet op of om. Dan had ik nog geluk, want meestal viel hij mensen aan. Zijn houding veranderde op slag toen ik een touwtje tevoorschijn haalde. Hij was dan een kreng, hij was ook speels! Dus besloot ik het erop te wagen.

Omdat ik nog geen kattenreismand had, kreeg ik van het asiel een kartonnen reismand mee. Tijdens de rit terug zag ik eerst een nagel en toen meerdere nagels door het karton snijden en bij thuiskomst zaten we met een dolle agressieve kat in de auto die we toch op de één of andere manier het huis in hebben weten te krijgen. Hoe precies, dat weet ik niet meer, dat heb ik waarschijnlijk verdrongen.

Dat was het begin van vele momenten dat ik op tafel kroop en koest! af! lief! riep. Werkte niet natuurlijk. Wat ik eraan moest doen wist ik niet. De enige kattenervaring die ik tot dan toe had was met onze kat Floris bij mijn ouders thuis, die we poppenkleertjes konden aandoen en dan gingen we met hem wandelen. Dat was geen kat maar een lief sukkeltje en niet te vergelijken met het monster dat ik in huis had genomen.

Alles ging eraan. Wollen truien werden zonder pardon binnen een paar minuten uit elkaar gerukt met nagels en tanden. Het terrarium van huisbaas B. dat beveiligd was met dubbel glas en zijn grote trots, bleek een makkelijk te schillen appeltje voor Joris te zijn. Ontdekte ik, toen ik hem midden in de glasrestanten zag zitten met een staart uit zijn bek.

Op een dag werd er aangebeld en bleek Joris van vier hoog naar beneden achter een duif aan te zijn gesprongen. Hij had een gebroken heup. Ik had inmiddels een lege portemonnee na het opnieuw inrichten van het terrarium, het continu moeten betalen voor de schade die hij aanbracht in huis en de dierenartskosten.

Toch was die gebroken heup wel een omslag. Hij kon niet lopen maar alleen een beetje kruipen en hij had mij nodig om bijvoorbeeld op zijn bak te kunnen. De band tussen mens en kat verbeterde aanzienlijk.

Die werd nog beter toen ik een vriend kreeg die niet op tafel kroop als hij agressief deed – de kat, niet mijn vriend 😉 – maar die deed wat Joris deed, er achter aan rennen dus. Ik zou het zelf nooit aanbevelen maar bij deze kat werkte het. Hij werd wat rustiger en beter benaderbaar. Al zat bezoek nooit echt lekker op de bank als hij zat te loeren naar ze.

De grote omslag in het leven van Joris kwam toen ik een klein poesje mee naar huis nam. Mijn toenmalige schoonzus had in de supermarkt een man aangesproken die een kleine kat in zijn jaszak had. Hij drukte het beest in haar handen en verdween. Maar zij had al 5 katten, een kleuter en een bijstandsuitkering en bovendien waren haar katten absoluut niet gecharmeerd van het poesje. Dus  zat ik voor ik het wist in de tram met dat katje onderweg naar huis, met de belofte dat ik er een huisje voor zou zoeken. Ondertussen hopend dat Joris niet dacht dat ik een lekkere snack voor hem had meegebracht.

Groot was de verbazing toen Joris een complete gedaanteverandering onderging. Aanvankelijk was er wat geblaas en gegrom maar na de eerste nacht werd ik wakker en zag ik ze op de bank in elkaars poten liggen. Joris was verliefd, héél erg verliefd. En werd daarmee de goedzak die hij bleef tot hij op hoge leeftijd overleed.

Ik kon alles met hem doen, hij was lief en groot en erg aanwezig en heel gelukkig met zijn Dorrit. Hij was overweldigend in de aandacht die hij kon geven, voelde het aan als ik verdrietig was en kwam me dan troosten. Streken bleef hij wel houden. Hij speelde graag dat hij dood was als vriendin S. hem eten ging geven als ik op vakantie was. Dan lag hij met de poten in de lucht, niet knipperen met zijn ogen, niet zichtbaar ademen en als S. dan voorzichtig naderde – ze is allergisch voor katten het arme mens – sloeg hij toe.

Hij overleed op 7 juni 2006. We gingen meteen daarna op vakantie naar Italië en ik zie me nog liggen in de tent, brullend van verdriet. Toen ik Smoes via het asiel kreeg in september 2006, heeft het asiel een geschatte geboortedatum in zijn dierenpaspoort gezet. Geschat, want Smoes was gevonden (in een sloot in een doos maar dát is een ander verhaal). Toen ik die datum zag kreeg ik wel even kippenvel: 7 juni 2006. Dat heeft zo moeten zijn.

Alle katten zijn mij dierbaar. Maar Joris was een wel heel bijzonder beest. En dat was hij.

Behandeling ME: Orthomoleculaire therapie (2)

Zoals jullie weten ben ik onder behandeling bij een orthomoleculair therapeut. Al dekt die naam bij lange niet de lading van wat zij allemaal doet. Ze is ook (natuur)diëtist, geschoold in fytotherapie, Ayurveda en de Chinese voedingsleer. Én ze heeft verstand van ME, dat ook.

Eerst hielp ze mij op weg met de heftige darmproblemen die ik had. Die zijn nu zo goed als weg. Ik ervaar – zo lang ik me aan de voedingsvoorschriften houd – geen klachten meer en ben nu hard op weg om met voeding en supplementen mijn darmen te laten herstellen van de dysbiose die er heerst.

We zijn nu doorgegaan met mijn tweede hulpvraag: kunnen we wat doen aan mijn energiehuishouding? Ze adviseerde bloedonderzoek – om te kijken of er tekorten zijn – , ik vulde een vragenlijst in over glyconutriënten (essentiële suikers) én ze adviseerde om mijn amalgaamvullingen te laten verwijderen. Hoe staat het er nu mee?

Bloedonderzoek – Ik had even een terugslag de afgelopen weken maar vorige week deed alles het weer redelijk en mijn hoofd zat ook vast op mijn romp, dus toog ik op mijn magische scooter richting ziekenhuis. Prikken zelf was nog even een uitdaging: sommige zaken die getest moeten worden, bleken niet aanvinkbaar in het systeem. Of toch wel maar werden pas gevonden na overleg met collega’s. Ik waardeerde het enorm dat de prikmevrouw in kwestie zoveel moeite deed want de huisarts had vooraf gewaarschuwd dat ze hoogstwaarschijnlijk moeilijk zouden gaan doen, gezien de aangevraagde onderzoeken.

Het prikken zelf ging niet makkelijk want mijn bloed stroomde niet. Er kwam bijna niets uit. Terwijl er 8 buisjes bloed nodig waren. Afijn, lek geprikt en vól blauwe plekken maar met 8 redelijk gevulde buisjes als resultaat mocht ik vertrekken. De uitslag kan nog wel even op zich laten wachten. 

Amalgaam – het laten vervangen van de vullingen staat nog even in de kast. Ik heb besloten dat ik daar eerst nog eens met de diëtist over wil praten. De redenen om het te doen klinken mij heus zinvol in de oren. Alleen ik hoor van geen enkele ME-patiënt dat ze ervan is opgeknapt. Is het de investering (in energie maar toch ook wel in geld) dan wel waard, vraag ik me af. Ik wil graag van haar horen wat haar ervaringen zijn met specifiek ME-patiënten op dit vlak.

Als ik het laat doen, dan pas in het voorjaar en niet deze winter. In de winter ben ik altijd al minder, en het laten vervangen zal in etappes gaan gebeuren en best veel tijd en energie in beslag gaan nemen. Dat doe ik liever op een moment in het jaar dat ik me iets beter voel.

Glyconutrienten – ik vulde een lange lijst in met een overzicht van specifieke voedingsmiddelen. At ik deze voeding, hoe vaak en in welke hoeveelheden? Zo kon zij bepalen of ik bepaalde essentiële suikers te weinig of helemaal niet binnen krijg. Die suikers zijn essentieel omdat het lichaam die niet zelf kan aanmaken. Je haalt ze uit voeding, specifiek uit groenten en fruit. 

Als je darmen uit balans zijn, is je lichaam ook minder in staat om deze suikers aan te maken of goed om te zetten. Maar ze zijn wel van levensbelang voor bijvoorbeeld je energieproductie, het goed laten verlopen van al je lichaamsprocessen en voor je darmflora en afweersysteem.

Na analyse van de ingevulde lijst kreeg ik het bemoedigende antwoord dat ik het best goed deed (ik eet natuurlijk al heel veel groenten en fruit) maar dat er hier en daar wel wat aanpassingen nodig zijn, op basis van de (energie)klachten die ik heb en wat ik heb aangegeven wel of niet te eten.

Zo is de lijst van dingen die ik moet eten weer iets groter geworden. En inmiddels best onoverzichtelijk voor mij. Want denk aan dingen als: alle dagen 3 eetlepels van dit, dagelijks een half theelepeltjes van dat en drie keer per week 3 opscheplepels van zus en zo.

Gewoon noteren en op de koelkast hangen werkt niet voor mij. Dus heb ik alle eetmomenten in een week in een schema gegooid. Dat zijn 3 maaltijden en 3 tussendoortjes per dag. En vervolgens genoteerd wat ik wanneer moet eten. Dat is belangrijk want sommige dingen mag ik niet met elkaar combineren omdat ik nog steeds moeite heb met verteren.

Natuurlijk draaide mijn brein daar iets van door maar daar was ik al op bedacht dus ik heb geprobeerd het rustig en relaxt aan te pakken. Ook heb ik me voorgenomen één dag in de week gewoon een maaltijd te eten waar ik trek in heb, zonder rekening te houden met die enorme stapels voedingsvoorschriften (met uitzondering van gluten natuurlijk, dat risico durf ik (nog) niet te nemen).

Want het doet best wel iets met mij. Ik ben heel gemotiveerd en altijd al geïnteresseerd geweest in gezond eten. Alleen liet ik me vaak bij het bereiden van eten toch leiden door mijn trek. En daar maakte ik dan vervolgens iets lekkers en gezonds van. Maar ‘lekker’ stond hier wel voorop.

Nu is het omgedraaid. Ik eet alle dagen iets omdat dit moet volgens het eetschema en probeer er nog iets lekkers van te maken. Veel kooktechnieken die ik lekker vind (wokken, grillen) mogen niet meer. Het vereist dus andere manieren van eten bereiden (koken/stoven/stomen), wennen aan andere smaken en vaak ook wennen aan een ander mondgevoel. Tel daarbij op dat ik over een deel van mijn warme maaltijden lijnzaad, hennepzaad, zeewiervlokken, lijnzaad- en hennepolie moet gooien en dan is het niet raar dat je piept dat ‘alles hetzelfde smaakt.’

Natuurlijk weegt dit niet op tegen de goede resultaten die ik tot nu toe bereikte. Maar dat wil niet zeggen dat het me koud laat. Eten en eten bereiden was altijd mijn grootste hobby en nu zit er een bepaalde druk achter waar ik soms best moeite mee heb. Veel dingen waar ik dol op ben, mogen niet meer. En eten waar ik al jaren met een grote boog omheen loop, moet ik ineens in grote hoeveelheden naar binnen werken.

Buiten de voedingsadviezen heb ik ook weer wat extra supplementen voorgeschreven gekregen. Met andere supplementen mocht ik gelukkig stoppen omdat daarvan het doel is bereikt. Ze geeft me bij de adviezen altijd de keus want vaak is het goed mogelijk om iets uit voeding te halen. Zo kies ik ervoor om 3 keer per week een koude aardappelsalade te eten – koude aardappelen bevatten resistent zetmeel en zijn prebiotisch, goed voor de darmen!- in plaats van 1 keer per dag een sachet met hetzelfde maar dan voor €1 per keer. Zo probeer ik de (enorm oplopende) kosten wat te matigen.

Dat kan niet altijd natuurlijk. Sommige voor mij nu noodzakelijke bacteriën of vitamines heb ik nu in grotere hoeveelheden nodig en vallen niet met voeding op te lossen. Zo ben ik sinds gisteren begonnen met een supplement van een medicinale paddenstoel waarvan de lijst met positieve bijwerkingen indrukwekkend is. Het werkt specifiek op het energie- en immuunsysteem, is ontgiftend, doet het uithoudingsvermogen vergroten, is inzetbaar bij auto-immuunziekten en zo kan ik nog wel even doorgaan. En het is duur. Wat me niet uitmaakt als het werkt. Dus ga ik dat twee maanden proberen.

Veel van wat ik probeer, werkt niet. Maar soms werkt iets wél, zoals de B12 injecties of de magnesium malaat waar ik twee maanden geleden mee begon en die ervoor zorgt dat ik met veel minder pijn opsta in de ochtend.

Dus ga ik door. Al etend en kokend en pillen slikkend. Ik geef deze behandeling nog een jaar. Ik heb al veel bereikt met haar en denk dat wat we nu proberen – mijn energie opkrikken – moeilijker is. Maar ben ik er najaar 2019 nog hetzelfde aan toe als nu qua energie, dan gooi ik de handdoek in de ring en stop ik ermee.

Dat klinkt wat somber en zo bedoel ik dat niet. Het is meer dat ik wil zeggen dat niet alles werkt en dat eeuwig doorgaan met een behandeling geen zin heeft. Ik denk dat dit traject wel veel tijd kost en die tijd wil ik het geven. Een jaar is vast genoeg om daar een goede indruk van te krijgen.

Veel mensen begrijpen niet dat ik dit doe. “Gewoon gezond eten, niet al te gek doen dan krijg je alles binnen”. Ik hoor het ze denken. Ook staan sommigen heel afwijzend tegenover supplementen slikken omdat ze menen dat we alles uit de voeding kunnen halen.  Ben je gezond dan gooi je er af en toe in de wintermaanden misschien eens een multivitamine in maar meer ook niet. Vaak lezen we ook in de media artikelen van artsen die vertellen dat bijslikken helemaal niet nodig is. Gewoon gezond eten en klaar.

Maar wat voor de één werkt, werkt niet voor de ander. Bovendien, wat is gezond? Daar kun je ook eindeloos over praten. Veel mensen slikken  – als ze supplementen slikken – maar wat in het wilde weg met dus wisselend effect. 

Het slikken wat ik nu doe is heel gericht, gebaseerd op een uitgebreide anamnese en op basis van onderzoek (darmen, bloed). Ze kan zo precies zien hoe het ervoor staat en combineert de uitslagen met de klachten die ik heb. Ze ziet een patroon. Een patroon dat ik als leek niet kan zien of interpreteren.

Huisartsen kijken vaak alleen naar uitslagen.  ‘U voelt zich uitgeput maar uw vitamine D waarde is normaal. Misschien last van stress? Doei!‘ Een orthomoleculair therapeut kijkt niet alleen naar de hoogte van de waarden van die ene vitamine maar ook hoe dat zich verhoudt tot andere bloedwaarden. Bovendien houdt ze er rekening mee dat waarden die wellicht nog net binnen acceptabele marges vallen, bij een chronisch ziek persoon meer negatieve impact hebben dan dezelfde waarden bij een gezond mens.

Dit soort behandelaars ziet mij als een puzzel en ik reik de stukjes graag aan. Omdat ik ervan leer en kleine stapjes de goede kant uit maak. Hoe klein ook, elke stap vooruit is welkom.

5 jaar Dibbes!

Ik ben Dibbes.
Mijn hoofd is leeg.
Ik heb geen zorgen.
Mijn buik is vol.
Het bed is zacht.
Mijn bak is gevuld.

Ik heb een huis.
Gevuld met mensen
die mij knuffelen
en aaien.
Die mij zien.
Die mij zagen
toen niemand mij zag.

Ik heb nu een naam.
Ik ben Dibbes.
Ik ben thuis.

(Vandaag vieren we het 5 jarig jubileum van Dibbes als huiskat!)

Best lekker toch?

 

Aan al die mensen
die denken en soms zeggen
best lekker toch?
De hele dag thuis zijn
omdat je ziek bent.
Lekker in de tuin zitten
wanneer je wilt.
Geen baas
die in je nek hijgt.
Je eigen tijd indelen”.

Ruilen?
Dan bind ik
een paar betonblokken
aan je voeten en armen.
Ik knel je hoofd af
met een te strak verband.
Op je rug een rugzak van 20 kilo.
Ik zorg ervoor dat je lijf flink pijn doet
en giet 2 liter goedkope wijn 
bij je naar binnen.

En dan,
de volgende dag,
als je een fikse kater hebt,
dán laat ik je 50 km hardlopen,
natuurlijk wél met die
betonblokken en rugzak.

Vervolgens zeg ik
Best lekker toch?”

Ik moet bijkomen
van de dingen
die jij zonder nadenken doet.
Je stapt achteloos
onder de douche.
Je hebt afspraken,
verplichtingen,
leuke en niet leuke dingen
die je doet,
moet doen,
wilt doen.
Je hebt keuzes.
Misschien niet veel
maar je hebt ze wel.

Je leven is ingedeeld
in werk en vrije tijd.
Ik snap heus
dat jouw leven
niet ideaal is.
Dat ook jij 
niet altijd
gelukkig bent.

Maar de dingen
die jij tussendoor doet
zijn activiteiten
waar ik van onderuit ga.
Die opslokken
wat er is aan energie.

Erg?
Dat niet eens.
Het is zoals het is.

Wat ik wél erg vind
is het stompzinnige idee
dat het best lekker is
zo de hele dag thuis zitten.
Kunnen doen wat je wilt.
Want dat kan ik niet.

Ik heb geen vakantie.
Mijn leven is niet verdeeld
in werk en vrije tijd.
Ziekzijn gaat altijd door.
24 uur per dag.
Met soms wat ups
en best veel downs.

Maar nou stop ik.
Wat klink ik zuur.
Stel je voor dat ik eerlijk ben
Echt zeg hoe het is.
Dát is niet gezellig!

Dus ga ik nu genieten.
Best lekker toch,
die laatste mooie zomerdag
in oktober.
Echt genieten
zo vanuit mijn bed!

 

Ps, ik ben niet depressief  – nou ja, op een najaarsdepressie na maar die telt niet mee vind ik – of van zins de hand aan mezelf te slaan maar ik geniet er gewoon van frustratie in tekst te gieten. En bespaar me dooddoeners als ‘probeer te genieten van de kleine dingen, hou vol’. Ik hou al 10 jaar vol. En wat is dat, volhouden? Het is immers geen kwestie van volhouden -als een dieet dat je volgt, – want ik kan niet naar de winkel en zeggen: ‘nu ruil ik dit lichaam’. Ik vind dat ik het volste recht heb soms eens lekker te zeiken over mijn situatie op een manier die bij mij past. Dát is voor mij genieten van de kleine dingen 😉 .

Voorbereiding bezoek dierenarts

Hoi!
Gerrie hier.
Ik maak weer zó veel mee!
Ik ga naar school.
Een paar keer per dag.

De vrouw gaat aan tafel zitten.
En roept me.
Ja, doei!
Ik kom niet zomaar!
Eerst 5 minuten lokgeluidjes laten maken.
En dán spring ik op tafel.
Of niet.
Ik vertrouw het voor geen meter.

Maar omdat ik een watje ben
en heel veel van haar hou
en dól ben op kusjes 
en aaitjes
en lieve woordjes
in mijn oren,
spring ik tóch op tafel.

En dan,
als ik helemaal
week en zacht ben,
tilt ze me op.
Dát is niet de bedoeling!
Ga weg, eng mens!

Blijkbaar doe ik het goed.
Ze zegt dat ik
haar lekkere Gerrieknoedel ben,
haar slimme schetepoeperd,
haar harige knuffelbal.
Dát hoor ik graag.
En ik krijg lekkers!
Telkens als ik me laat optillen
en niet tegenstribbel
krijg ik een hapje.

Dus laat ik me nu
goed slap hangen
als ze me optilt.
Ik vind het inmiddels
ook iets minder eng.

Ze zei laatst dat ik door mocht
naar de volgende groep!
Optillen en lopen.
Nou dát is weer spannend.
Maar ook dat lukt goed.

Waarom het moet?
Ik weet het niet.
Ik wil het niet weten.
Zeker niet waarom
die mand daar staat.
Want dáár ga ik niet in.
Echt niet!

Doei!


Gedragsregels

img_20170221_0813161453727193.jpg

Zijn we er allemaal? Iedereen aanwezig? Ik leg het nog één keer uit. En nu graag opletten!

Komen ze!

  1. Eten uit andermans bak heeft de voorkeur.
  2. Opgestaan is plaats vergaan.
  3. Slapen is onze belangrijkste activiteit.
  4. Wij vinden eten lekker tot we zien dat het in ’t groot wordt ingekocht.
  5. Wij kruipen pas op schoot als het voedseluitgiftepunt nét wil opstaan.
  6. De dag begint om 6 uur ’s ochtends.  
  7. Het mens dient te worden aangemoedigd met corrigerende tikjes van de poot om op te staan. Werkt dat niet ga dan over tot niezen in het gezicht, succes verzekerd.
  8. Kots deponeer je naast het bed, nét uit het zicht maar wel in de loop.
  9. Deze is voor jou Gerrie, even opletten graag: poepen doe je tijdens het avondeten van de slaven bij voorkeur op de bak, zodat ze kunnen genieten van het aroma.
  10. Schone was dient als plek waar je overtollige haren kunt achterlaten.
  11. Twee uur vóór etenstijd gaan we klaar zitten. We bevorderen het krijgen van eten met dé blik: langdurig staren zonder knipperen. Smoes kan desgewenst even laten zien hoe het moet.
  12. Aandacht vragen wij op verschillende manieren. Zigzaggend voor het mens uitlopen, die dan nét niet struikelt is bijzonder effectief. Werkt dat niet, ga dán over op dramatisch miauwen.
  13. Het toilet is de plek waar het mens gaat zitten zodat jij op schoot kunt springen, maak daar goed gebruik van. Accepteer het niet als ze de deur sluit. Ga dan over op gillen.
  14. We tolereren geen andere katten in huis. Tenzij ze toch binnendringen, dan negeren we ze.
  15. Het is altijd de schuld van de buurkat, wát er ook gebeurt.

Vragen? Iemand? Nou daar gaan we dan. Jullie kunnen het! Wij zijn geweldig! Glorieus is de weg naar succes! 

De wachtkamer

Toch heb ik nog steeds een hoog aanspreekgehalte. Was altijd al zo. Toen ik nog rookte en studeerde zat ik vaak op de trappen van het Bungehuis in de Spuistraat een peuk te roken, omdat dat binnen niet meer mocht. Het viel een vriend van mij op dat ik vaker dan anderen werd aangesproken door voorbijgangers om een vuurtje of de weg of om geld. Dus deden we een test. Ik ging telkens op een andere plek zitten. Driekwart van de tijd werd ik aangesproken terwijl er toch zeker zo’n 20 man ook op die trappen zat, aanspreekbaar te zijn. Dát kostte me heel wat sigaretten.

Waar dat aan ligt? Het zal vast met uitstraling te maken hebben. Blijkbaar straal ik uit dat ik een watje ben en geen nee zal zeggen of dat ik makkelijk benaderbaar ben. Dat is nog steeds zo. Zet mij in een wachtkamer en ik ben de vrouw aan wie mensen vertellen dat hun grote teen pijn doet, hun vrouw is weggelopen en hun kinderen in het buitenland studeren.

Dat vind ik niet altijd fijn. Mijn houding straalt blijkbaar uit ; ‘deponeer uw problemen en kletspraatjes hier‘. Mijn hoofd denkt meestal ‘donder op en laat me met rust‘. Dat klinkt chagrijnig en dat is het wellicht ook. Maar kletspraatjes kosten mij vaak meer energie dan ik heb. Als ik ergens naar toe ga is dat vaak een aanslag op de energievoorraad en onverwacht praten is dan vaak nét de druppel die maakt dat ik onderuit ga.

Niet dat ik mensen makkelijk zal afkappen. Ik ben namelijk HEEL AARDIG. Ik zeg niet snel nee en ik zal ook niet snel wegkijken als iemand tegen me praat. Ik ga vaak ook nog geïnteresseerde vragen stellen in reactie op het gesprek en dan weet ik aan het eind toch maar mooi dat begrafenisondernemer een machtig interessant beroep is.

Laatst zat ik in de wachtkamer bij de huisarts en toen maakte ik iets nieuws mee. Ik wekte duidelijk de woede van een man op. Het wachten duurde lang, er waren wat spoedgevallen en de assistente had haar excuses aangeboden dat het ‘allemaal wat, nou ja zeg maar soort van heel erg uitliep, echt heel vervelend en sorry daarvoor.’

Nu ben ik heel goed in stoïcijns wachten. Ik maak me niet snel druk om afspraken die uitlopen. Als je iets als patiënt leert, dan is het wachten. Wachten op medicijnen die er niet zijn, onderzoek dat niet wordt gedaan en ook wachten tot je aan de beurt bent, tot je een ons weegt.

De mededeling van de assistente had op een mede-wachtende een groot effect. De man begon te snuiven en te zuchten en wild om zich heen te kijken. Ik dacht ‘nu komt het, hij gaat me vertellen waarom hij hier zit. Straks ken ik de naam van zijn parkiet en weet ik wat hij vanavond gaat eten.’

Niets van dat alles. Hij was boos. Op mij. Zo leek het. Elke paar seconden keek hij mij doordringend en boos aan en keek dan weer weg. Veegde continu zijn handen aan zijn broek af en keek dan weer razend op, alsof ik groene zeep op zijn handen gesmeerd had, of nog erger, lijm die verschrikkelijk jeukt.

Natuurlijk rook ik even onder mijn oksels. Maar dat rook heel plezierig, vond ik zelf dan toch. Er zat geen poep onder mijn schoenen. Ik meende ook zeker te weten dat ik mijn tanden had gepoetst dus aan mijn geur kon het niet liggen. Toch maakte iets in mij de man boos.

Gelukkig kwam er op dat moment net een allerschattigst baby’tje binnen met zijn ouders. Nu ben ik geen babyliefhebber, ik heb weinig met baby’s. Die van ons vond ik heel leuk maar de rest wekt niet heel veel in mij op. Zet me in een kamer met kittens en ik smelt. Zet me in een kamer vol baby’s en ik wil in paniek weg rennen.

Maar dit exemplaar was bijzonder goed gelukt. Stralend lachen, veel tatatata!! en gerammel met een speeltje, verrukt zwaaiend naar wat hij zag en nét voldoende kwijl in de mondhoek om het compleet te maken.

Dus negeerde ik de boze man en richtte mijn aandacht op de baby. Zwaaide naar hem, ging gekke bekken trekken en de ouders groeiden van trots en liefde dat hun jochie – denk ik, dat was even een gok aangezien elke baby een bol hoofd heeft en kleuren van babykleding geen definitief uitsluitsel gaven over het geslacht-  dat in een ander wist op te roepen.

Nét op het moment dat ik wilde aanbieden petemoei te worden, riep de huisarts mij. Gelukkig.