De envelop met het blauwe logo

Op de deurmat lag een brief, met een bekend blauw logo. Elke ‘uitkeringstrekker’ weet waar ik het over heb, het logo van het UUUWWWVVV. Altijd als ik dat logo zie maakt mijn hart een salto. Niet van vreugde maar van angst.

Ik wil wel werken maar kan het (nog) niet. En altijd heb ik angst dat deze instantie mij sommeert te gaan werken op een moment dat ik dat nog niet kan. Mijn arbeidsethos heeft mij eerder in de problemen gebracht. Ooit meldde ik me ziek – ik bleek ME te hebben maar wist dat nog niet – en ben na een aantal maanden weer gaan werken omdat het moest van de bedrijfsarts. Een paar maanden forceerde ik mezelf, tot ik op een dag zo zat te schudden in de trein dat ik me weer heb omgedraaid. Met mijn poging netjes te doen wat me werd verteld, heb ik een verergering van mijn toestand veroorzaakt die voorkomen had kunnen worden als ik steviger in mijn schoenen had gestaan. En als iemand wat eerder had herkend wat er met mij aan de hand was.

Het gekeurd worden om afgekeurd te worden zodat ik een W.IA-uitkering kreeg, is werkelijk waar één van de dieptepunten in mijn leven geweest. Het niet kunnen werken heeft bij mij toen tot een enorm schaamtegevoel geleid en het hebben van ‘zo’n vage aandoening als ME’, versterkte dit alleen maar. Hoe kan je uitleggen aan de arts die tegenover je zit, dat 30 keer boven je hoofd reiken in 1 uur niet lukt en dat één keer door je knieën zakken misschien wel lukt maar dat je dan niet meer overeind komt. Hoe kun je begrip en inlevingsvermogen verwachten van iemand die jou maar 1 uur ziet en die continu te maken heeft met mensen die zwak, ziek en misselijk zijn? Hoeveel sympathie kan iemand dan nog opbrengen, want is afstompen niet normaal in zo’n omgeving? En wat als die arts een rotdag heeft? Of last van PMS? Of moet voldoen aan normen zoals 60 % afkeuren en 40 % goedkeuren?

Aan de buitenkant zie je niets aan mij. Sterker nog, ik kan heel leuk praten en maak makkelijk een goede eerste indruk. Dat ik na de gesprekken met het UUWWVV een terugslag van weken had, kunnen ze daar niet weten natuurlijk. Ik heb het ze wel verteld dat het zou gaan gebeuren, maar of ze dat geloven is natuurlijk een tweede. Veel mensen begrijpen niet dat je moe wordt van praten alleen. Toen ik vorig jaar een uitnodiging om te gaan eten met wat oud-klasgenoten afsloeg, bood iemand aan me te halen en te brengen, echt super. Alleen ook dan gaat het niet. Waarop hij zei dat niet te begrijpen, ‘we gaan niet sporten of om de tafels rennen hoor, gewoon even een hapje eten’. Nee, hij gaat een hapje eten en voor mij zou het zijn alsof ik een marathon loop, want zó werkt mijn lijf. De meeste uitjes moeten worden gepland, het kost me in het goede geval dagen, maar als ik pech heb weken, aan hersteltijd. Dus maak ik zorgvuldige keuzes. Even ‘zomaar een hapje eten’ bestaat niet in mijn wereld.

Overigens begrijp ik inmiddels volkomen dat hij me niet begreep want zelf was ik vroeger ook niet zo begripvol. Voorstellingsvermogen komt vaak uit een kader en als dat kader vooral gezond en actief is, dan is het niet vreemd als je niet kunt voorstellen wat het betekent om ziek te zijn. Met uitzondering van mensen die vol inlevingsvermogen worden geboren, want die zijn er ook (tjee wat dwaal ik af!).

Terug naar die envelop op de deurmat. De angst is enorm. Het gevoel beoordeeld te worden en het besef dat de uitslag vaak buiten je macht ligt, hakt er in. En dat terwijl ik tot nu toe altijd goede ervaringen heb met het UUUWWWVVV. De arts was weliswaar niet aardig (maar dat hoeft niet, als ze maar competent is natuurlijk) maar begreep wel de aard van mijn aandoening. De arbeidsdeskundige was wél heel aardig en zei letterlijk dat hij niet met droge ogen kon beweren dat ik aan het werk moest gaan. De keren na de keuring dat ik ben gebeld om te informeren hoe het ervoor staat, trof ik alleen maar hele aardige meneren die me het gevoel gaven dat ik gehoord werd. En dan toch die angst voor die envelop met dat blauwe logo.

Trillend maakte ik hem open. Het was een overzicht van het vakantiegeld dat deze maand wordt overgemaakt. En bovendien was het nog een flinke meevaller ook, € 100 meer dan vorig jaar! Pffieuw, nu weer verder gaan met mijn dagelijkse leven.

Ooit stuur ik het UUUWWWVVV een brief in een envelop met een mooi zonnig logo dat vrolijkheid en geen angst opwekt, waarin ik schrijf dat ik weer uit werken ga, maar dan om geld te verdienen. Lijkt me heerlijk, een leuke inspirerende baan, met goed afgebakende uren en grenzen met vakanties en vrije dagen. Ik ben nu namelijk nooit vrij, ziek zijn gaat 24 uur per dag door. Ik werk nu ook mensen en wel heel hard. Ik werk aan mijn herstel.

‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’

Nu ik enige tijd op Facebook zit, gebeurt er iets wonderlijks. Ik ga steeds verder terug in de tijd. Werd ik eerst vrienden met mensen uit mijn dagelijkse omgeving – mijn vaste trouwe kern – toen waren de ex-collega’s aan de beurt, oud-klasgenoten van de middelbare school kwamen voorbij en de laatste tijd ‘zit’ ik ineens weer helemaal in mijn klas van de lagere school.

Ik kreeg een uitnodiging van ene Jacqueline, via haar kwam ik bij Lars en Jacques terecht, Sonja ontdekte mij en al snel leek het wel een virus, zó snel breidde het zich uit. We bogen ons over de namen van dat ‘jochie in die lichtblauwe trui op de tweede rij naast Kees’ en ‘dat meisje naast Jeannine’. Sommige namen blijken zich maar slecht verstopt te hebben in mijn brein en komen makkelijk naar boven drijven. Een aantal namen echter is volledig opgeslokt door mijn brein en wordt niet meer prijsgegeven. Als anderen wél de bewuste namen weten op te lepelen, gebeurt er niets in mij, geen één teken van herkenning. Iets wat mij een gevoel van schaamte oplevert.

Sommige kinderen lieten schijnbaar niets achter in mij, anderen wel. Sommige kinderen waren toen mijn beste vriend(in) en nu kan ik me nog nauwelijks herinneren waarom dat was. Anderen – waar ik toen nauwelijks mee speelde omdat er geen klik was – blijken nu bezig met zaken die ikzelf óók belangrijk ben gaan vinden. Die verlegen stille en slimme jongen uit de klas blijkt een enorme leuke sociale vent te zijn geworden voor wie het achterlaten van de lagere schooltijd blijkbaar een enorme bevrijding was. De dromer uit de klas – die we altijd de bioloog noemden, blijkt grappig genoeg echt bioloog te zijn geworden en werkt in Artis. Degene die het hoofd altijd zo koel hield, is nu rechter en dat wekt bij mij geen enkele verbazing. Veel zijn blijven wonen in ons dorp of vlak eromheen, anderen zijn tot in Bangkok terecht gekomen.

We hebben allemaal beelden in ons hoofd van ‘de ander’ en dat belemmert vaak dat we de ander zien zoals hij is. Misschien belemmert het de ander ook wel te worden wie hij wil zijn. Eind september is er een reünie. Het uitgangspunt is een foto uit de eerste klas. We zoeken elkaar op en leggen contacten. Ik vind het leuk maar ook eng. Ook weet ik niet of naar een reünie gaan voor mij wel haalbaar is, fysiek en qua prikkelverwerking. Dat zie ik dan wel weer, september is nog ver weg.

Ik moet nu vaak denken aan de Up-documentaires van regisseur Michael Apte, kennen jullie deze serie? Uitgangspunt in deze documentaire reeks is de spreuk ‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’. Met andere woorden: al op de leeftijd van 7 jaar openbaart zich hoe het leven van een kind eruit gaat zien. Althans, in deze serie wordt onderzocht of bestemming en persoonlijkheid al bij de geboorte vastliggen.  Uit verschillende sociale lagen van de Britse samenleving werden 14 kinderen geselecteerd en gevolgd vanaf 1963, toen ze allen 7 waren. Elke 7 jaar werden ze geïnterviewd over hun leven. Er zijn dus afleveringen 7-up, 14-up, 21-up en zo verder. Inmiddels waren ze 56 jaar in de aflevering uit 2012 (die ik niet heb gezien realiseer ik me).

Wat waren mijn dromen toen ik 7 was? Wat vond ik belangrijk? En wat is daar nu nog van terug te vinden in mij? En bij de anderen? Wat zien de anderen als ze mij straks zien? Op mijn 7e was mijn droom toch zeker niet ME-patiënt worden met een WIA-uitkering. Toch ben ik gelukkig met mijn leven van nu, ook al is het niet het leven dat ik koos. Ik heb geleerd dat het leven niet maakbaar is, maar dat je ervaringen wél maakbaar zijn. Hoe zit dat bij mijn oud-klasgenoten? Lukt het me dat te ontdekken? Wat laten we straks aan elkaar zien?Is de uitspraak ‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’ op jou van toepassing?

Aanvulling na wat nadenken: Als kind was ik dol op lezen en schrijven en dus deed ik dat, veel, heel veel. Ik las me een ongeluk. Elke week naar de bieb om 7 boeken te halen, daarmee kwam ik net de week door. En als het einde van een boek me niet beviel, dan herschreef ik het, net zo tot het me wel beviel En ik verzon zelf verhalen. Schrijven en lezen wou ik als kind. Eigenlijk is er weinig veranderd bedenk ik me…

Kapper

Toen mijn moeder 16 was, ging ze uit werken. Ze kwam terecht in de kapsalon van meneer en mevrouw De Jong, in Haarlem. Eerst mocht ze haren wassen, later werd ze opgeleid voor het echte werk, wassen, knippen en watergolven, want dat had je toen nog. Mijn moeder is qua lengte best klein en ze moest op een kistje moest staan om bij het haar van de mevrouwen te kunnen. Het woord kinderarbeid werd niet genoemd, zo ging dat in die tijd.

Na haar trouwen stopte mijn moeder met werken. Ook dat ging zo in die tijd. Maar contact bleef ze altijd houden met meneer en mevrouw De Jong. Meneer heb ik nooit gekend – die ging al snel hemelen – maar mevrouw kan ik me nog levendig herinneren. Eens in de zoveel tijd werden mijn zus en ik gesommeerd in te stappen in de ouderlijke lelijke eend voor een wereldreis. ‘Uren’ waren we onderweg en de bestemming was een klein propvol huisje onderaan een dijk. Pas onlangs kwam ik erachter dat dit huis in Schagen lag, niet zover van mijn huidige woonplaats. Vanaf de woonplaats waar ik als kind woonde was het hooguit een uurtje rijden, maar het voelde als rijden naar een andere wereld.

Want een andere wereld was het, daar bij mevrouw De Jong. Ze was een beetje eng. Ze praatte met een sterk Duits accent, noemde ons schatje – terwijl we haar nauwelijks kenden – , ze rook vreemd en ze had van die vlechten op haar hoofd. Er was bovendien héél véél mevrouw De Jong, ze was net zo breed als dat ze hoog was en ze droeg huisschorten, dat kende ik ook al niet. Allemaal zaken die – zo bekeken door de ogen van een klein kind – een enorme indruk achter lieten. Eng dus, maar toch ook wel heel fascinerend. Dat gaat vaak samen vinden jullie niet?

Na het zitten en vragen beantwoorden in dat overvolle huisje mochten mijn zus en ik naar buiten. Rennen op de dijk met de hond van mevrouw De Jong, bij de kippen kijken of zomaar in het gras liggen. Ik genoot altijd volop. Na een dag (of wellicht een uurtje) gingen we weer weg. Voor het weggegaan werden we volgestopt met snoep en kregen we elk een rijksdaalder in onze handen gestopt. Voor ons in de vroege jaren ’70 een ongekend hoog bedrag om te ontvangen van iemand die niet je opa of oma was. Sterker nog, van iemand die je nauwelijks kende.

De bezoekjes namen af toen wij gingen puberen en mijn ouders gevangen zaten in hun eigen leven. Mijn vader was te ziek om nog ergens heen te rijden, mijn moeder durfde nergens heen te rijden en mevrouw De Jong was te dik om in een auto te passen. Maar contact was er wel. Eens per jaar werd er flink telefonisch bijgepraat en konden we via mijn moeder op afstand volgen hoe mevrouw De Jong haar huisje in Schagen verruilde voor een flat in de Bijlmer en hoe ze werd kaalgeplukt door één van haar zoons.

Nou wil het toeval dat ik onlangs naar de kapper ben geweest. En zo hee, wat heeft die mijn haar verknipt. Links was het veel langer dan rechts, sterker nog, toen ik thuiskwam stak er een lange pluk uit, die echt zeker 10 cm langer was, vergeten. Want de kapster had het héél druk, eerst met praten en toen met schrikken omdat de volgende klant al op haar zat te wachten. Razendsnel raffelde ze de knipbeurt af. Zó zat ik in de stoel en zó stond ik buiten, beduusd van de snelheid waarmee één en ander afgehandeld was. Echt een heel leuk en enthousiast mens die kapster, maar wel één die niet kan knippen. Normaal ga ik naar een andere dame in dezelfde zaak, de reden dat ik dat nu niet deed was een combinatie van trouweloosheid en toe zijn aan iets anders van mijn kant en mijn eigen kapster die een tijdje weg was geweest om te bevallen en dus even minder op mijn netvlies stond.

Verknipt en verknald dus en dat voor een ongehoord hoog bedrag. Nou zit mijn haar eigenlijk altijd wel, ik heb veel en dik haar met een slag, maar het kon niet tegen het prutswerk op. Na 3 weken mokken en föhnen en gedoe met haargel, belde ik mijn moeder. En die kwam me redden. Laken, schaar en haarspelden mee. Ze hoeft niet meer op een kistje te staan, maar knippen kan ze nog steeds. Dat heeft ze wel geleerd van meneer en mevrouw De Jong. Bovendien heeft ze maar één woord van mij nodig om te begrijpen wat ik bedoel, zo gaat dat met moeders….

Natuurlijk had ik terug moeten gaan naar de kapper. Maar dat kon niet meteen na de (ver)knipbeurt, ik moest naar huis want S. was zijn sleutel kwijtgeraakt (zucht) en zou voor de deur staan. Later kwam het er niet meer van. Ik ben natuurlijk ook gewoon een lafaard want ik vind klagen vervelend.

Zou jij wel zijn terug gegaan naar de kapper?

Dibbesdingen

Het onweert buiten en Dibbes is nog niet binnen. Het vermoeden dat dit weertype angst opwekt, klopt volledig. Als we de deur opendoen en hem roepen, rent hij helemaal in paniek naar binnen. Zó gestrest dat hij in een slip op de laminaatvloer terecht komt en uiteindelijk plat op zijn buik eindigt, met zijn voorpoten gespreid, nagels uit alsof hij houvast zoekt.

We lokken hem mee naar boven en daar, op bed liggend met de gordijnen dicht, is het leven weer een stuk aangenamer voor onze ex-zwerver. Bij hele grote dondergeluiden kijkt hij nog wel angstig op, maar het zien van kat Smoes in een slaapcoma en niet op- of omkijkend, stelt Dibbes gerust. Het dondert en knalt maar blijkbaar is dat niet erg want Smoes slaapt er doorheen.

Elke keer ontroert zijn gedrag me diep. Vroeger, als in een jaar geleden, zat hij nog onder een struik met dit weer. Ik kan me geen voorstelling maken van de verschrikkingen die dat in zijn brein heeft achtergelaten. Wat ik nu dagelijks zie is een gezonde, meestal gelukkige, kat met wat scherpe randjes die beginnen te rafelen.

Regelmatig rukt hij de haren uit zijn lijf op een plek, tot het bloed letterlijk uit de wond druipt. Geen grote plekken maar ze zijn er wel. Met zachte hand hem beletten nog meer ravage aan te richten, helpt wel. Het is een kat die zich goed en snel laat bijsturen. Maar die wond zit er telkens voordat we het in de gaten hebben.

Bezoek wordt altijd begroet, hij is erg nieuwsgierig maar mensen moeten niet te snel amicaal worden. Zomaar even aaien is er niet bij. Alhoewel het natuurlijk wel helpt als ze hem lekkere brokjes of kattenstaafjes geven, dan is hij bereid iets sneller over zijn terughoudendheid heen te stappen.

Een paar keer per dag gaat hij onder de salontafel klaarliggen. Klaar om te spelen, vol verwachting. Nog nooit een kat zo fel zien spelen. En zo graag zien spelen. Terwijl hij in het begin helemaal niet begreep wat de bedoeling was. De eerste keer dat we met een touw voor zijn neus zwaaiden, rende hij keihard naar boven. Langzaam kreeg hij door wat de bedoeling is van spelen. Touwtje pakken en dan wegrennen, toch? Hij weer naar boven en wij maar beneden wachten, maar hij dacht dus dat het spel al klaar was. Nu begrijpt hij het inmiddels en ligt regelmatig klaar onder tafel om te spelen. Proppen papier worden besprongen en uit elkaar gerukt. Hij heeft het duidelijk helemaal door.

Hoe hij op straat heeft overleefd is ons een raadsel. Hij is enorm onhandig en blinkt uit in klonterigheid. Hij komt niet goed voor zichzelf op en heeft niets van het sluwe en vechterige wat je bij veel straatkatten ziet. Deze kat is duidelijk de laagste in de rangorde geweest en zelfs de vogels zien hem niet als bedreiging. Als de buurkat het huis binnenloopt, verontrust hem dat diep. Maar hij durft hem niet te verjagen. In plaats daarvan komt hij bij ons mopperen. Als we optreden en het beest wegsturen, krijgt hij wel wat moed en duwt met zijn poot nog even op de kont van de ongewenste indringer, weg jij!

Ondanks dat het dus een sukkel is wist hij toch zijn situatie aanzienlijk te verbeteren door zijn grootste angst – vertrouwen geven – te overwinnen. Zo is hij in een jaar tijd van een schuwe uitgehongerde zwerfkat met een ernstige oogaandoening veranderd in een goed doorvoede blije aanhankelijke knuffelaar. Zijn leven vertoont een stijgende lijn. Dat voelt hij en dat zien wij. Het leven is nu goed voor Dibbes. En het leven met Dibbes is top.