Terug in de tijd

Een paar weken geleden had ik een reünie van mijn lagere schoolklas. Eigenlijk waren er bij aanvang van de schoolcarrière twee eerste klassen en het lukte ons ongeveer de helft van die mensen te bereiken. 25 mensen kwamen, van wie ik het merendeel toen ik de deur achter me dichtdeed aan het eind van de zesde klas, echt nooit meer heb gezien. Juf Mieke, onze favoriete juf uit de 3e en 4e klas kwam ook. En was nog net zo leuk en aansprekend als in mijn herinnering.

Het was een heerlijke middag, de zon deed flink mee, we zaten buiten op een terras aan het water op een plek waar alle oud-Wormenezen wel herinneringen hebben liggen, het oude Weromeri dat nu De Hofjes heet. Wat hapjes, wat drinken en warme maaltijd ter afsluiting. Wat grappig dat je zoveel vertrouwdheid kunt voelen met mensen die je 35 jaar niet hebt gezien. Vooraf twijfelde ik, wat moet ik daar, ik heb toch niets meer met deze mensen? Maar dat bleek niet te kloppen. We hebben een gezamenlijke jeugd gehad en dat bindt, ook nog na zoveel tijd blijkbaar.

Ik heb een vriendin die ik al vanaf mijn 5e ken. De vriendschap kende verschillende fasen, afhankelijk van waar we zelf mee bezig waren in het leven. Soms was er overlap en soms ook niet. Maar wat altijd bond was dat ik nog haar opa en oma heb gekend, weet hoe het daar vroeger thuis was en zij ook met één woord van mij genoeg weet over mijn vroegere thuissituatie.

Dat vond ik terug in de ontmoeting met mijn oude klas. Waarbij het opviel dat sommigen helemaal niet veranderd leken. F. ziet er nog steeds uit alsof hij net iets stouts heeft gedaan en K. houdt zich nog steeds wat afzijdig met zijn kalme en wijze uitstraling. Grappig genoeg gingen de mensen als vanzelf zitten bij degenen waarmee ze vroeger ook het meeste optrokken maar dat werd losgelaten naarmate de middag vorderde. Misschien meer dan vroeger bereid om verder te kijken dan de neus lang is?

Eén jongen uit mijn klas was altijd heel sloom. Hij vertelde zelf dat hij vaak een wekker zette om wakker te blijven in de klas. Die wekker kon ik me niet herinneren maar wel wist ik nog dat hij weinig zei en soms in slaap viel. Ik heb nog wel eens aan hem gedacht. Wat zou hij in het leven zijn gaan doen? Van de slaapkop van toen was weinig over. Het was nu een hele drukke praatgrage man die heel succesvol is met betrekking tot geld  verdienen en die duidelijk gewend is in het middelpunt van de belangstelling te staan. Hij kwam binnen of ‘hij maakte zijn entree’ is misschien een betere omschrijving en als vanzelf kwamen er mensen om hem heen staan. De ene na de andere lachsalvo, niets deed nog denken aan die slaapkop van vroeger.

Ouder worden kan heel bevrijdend zijn. Mensen hebben een beeld van je en misschien is het heel moeilijk om je daaraan te ontworstelen. Passen we ons eigen gedrag aan naar het beeld dat anderen van ons hebben? De meeste klasgenoten vonden mij trouwens helemaal niet veranderd. Wat dit over mij zegt? Juf Mieke vertelde dat ik altijdzo leergierig was, altijd vragen stelde en altijd het naadje van de kous wilde weten. Ja, daar herken ik me wel in, dat gedrag vertoon ik nog steeds.

De reünie was in ieder geval zo’n succes dat hij volgend jaar weer wordt gehouden. Dan gaan we zeilen op de Friese meren. Leuk, kan ik nu al naar uitkijken.

Heb jij nog contact met mensen van vroeger?

Op stap

Omdat het tenslotte herfstvakantie is, bedacht ik dat we een uitje moesten hebben. Dat had zeer zeker te maken met het feit dat we de eerste dagen van de week vooral liggend in bed doorbrachten. Ik omdat ik moe was en kind omdat hij het héél leuk vindt om lang en lui in  bed te liggen, te ontbijten in bed, te lunchen in bed, te computeren in bed. Afijn, jullie snappen wel wat ik bedoel.

Hoewel ik natuurlijk geroerd ben door de wetenschap dat onze puber graag binnen een straal van 1 meter van zijn moedertje verblijft, vond ik dus dat we iets moesten gaan doen. M. was vrij op woensdag, dus woensdag ging het gebeuren.

Utrecht, we gaan naar Utrecht! Dat klonk als een strak plan. Bij het opstaan bleek dat de eindeloze stroom regen van de afgelopen dagen was gestopt en dat de zon zelfs scheen. Dit leidde tot zoveel vreugde dat we weer in bed kropen. Want een koffie in bed is zo fijn opstarten. Afijn, toen we zo tegen 12-en uit bed kropen, was Utrecht toch niet meer zo’n goed idee, want een uur rijden en ‘het is al zo laat en zo komen we op de terugweg vast in de file terecht.’

Alkmaar, we gaan naar Alkmaar! Want ik ben natuurlijk niet voor één gat te vangen. Bovendien had ik stiekem een geheime missie. Ik wilde niet alleen een  leuk uitje, ik wilde vooral weten hoe het zou zijn om in een grote stad rond te lopen. Nu is Alkmaar geen Utrecht of Amsterdam maar het is toch zeker groter dan Hoorn met meer prikkels om te oefenen.

Bovendien is Alkmaar een stukje jeugdsentiment. Vroeger – als in toen ik nog kind was en bij mijn ouders woonde – togen we twee keer per jaar met de eend van mijn moeder (nu heb ik het over een auto en niet over een dier) naar Alkmaar om kleding te kopen. Want kleren kopen was niet goed mogelijk in Wormer, waar ik opgroeide. Daar had je welgeteld één kledingzaak en daar hing voor elk wat wils. Maar ja, als je daar kocht, dan had je kans dat je hetzelfde aanhad als de rest van de klas en veel keus was er niet. Dus gingen we naar de grote stad Alkmaar om in te slaan. En werd ik op zo’n blok in de C&A gezet om kleding te passen (bestaat dat nog?).

Eenmaal in Alkmaar aangekomen bleek dat de lift in de parkeergarage stuk was en dat er alleen nog plek was op het bovenste parkeerdek. Over prikkels en uitdagingen gesproken, dat was een forse! Naar beneden lukte natuurlijk wel maar straks weer omhoog?

Alkmaar zelf was net zo leuk als in mijn herinnering. Naast de geijkte grotere winkelstraten met de V&D, de HEMA’s en de Perry Sports is er ook een deel in het echte oude stadshart met allemaal kleine straten met leuke grappige winkels. De mannen doken een stripwinkel en CD winkel in en ik heb laarzen gepast en niet gekocht (alleen maar omdat ze niet pasten hoor, ik kan met jaloezie de verhalen van Valhalla lezen dat ze met 1 paar laarzen doet, dat lukt mij echt niet). We aten ergens, we kochten een ijsje en liepen veel doelloos rond.

En ineens was het op. De hoofdpijn die ik al sinds begin van de middag had was natuurlijk een waarschuwing. Maar toch overviel het me. Veel te veel mensen, prikkels, dingen om te zien, de gevoelde druk omdat ik vind dat ik het leuk moet hebben. Terug naar de parkeergarage dus en ‘no way dat ik omhoog ga met de trap ik wacht wel hier…. ‘

Thuisgekomen bekeek ik mezelf van een afstandje en constateerde ik met veel verbazing weer eens dat overprikkeling leidt tot volledig hysterisch gedrag. Die constatering is helaas niet zo groot dat het gedrag daarmee gestopt kan worden….Net thuisgekomen besloot ik de schuur op te ruimen en pogingen van M. om dat te voorkomen zorgden voor een enorm gespannen sfeer. Die Schuur Moet Opgeruimd En Wel Nu Want Als Ik Het Niet Doe Gebeurt Er Nooit Iets In Dit Huis. Zo dus. Dat die man mij nog nooit het huis heeft uitgezet is een wonder. Ik vond dat er in de schuur ruimte moest zijn voor de lege potten die overal in de tuin staan. Dus nu is de kliko vol, de planken in de schuur zijn leeg en er staan 5 potjes op de vrijwel lege planken, want zo bezien viel het eigenlijk best mee met al die potten in de tuin.

Na de schuur volgde het avondeten, wat gegrom op de bank en toen naar bed. Nu zit ik weer op de bank en overdenk mijn missie van gisteren. Kan ik meer prikkels aan? Ja, zeker meer dan twee jaar geleden. Heb ik het slim aangepakt? Nee, absoluut niet. Overprikkeld zijn betekent nog altijd het contact met mezelf en mijn lichaam volledig kwijt raken. Ook was het moment van een uitje niet slim gekozen. En bovendien had ik zwaar de pest in dat die laarzen niet pasten. Ik kan heel goed consuminderen maar wat laarzen betreft heb ik de ruggengraat van een weekdier. Nu heb ik mezelf uitgeput en het leverde niet eens een paar laarzen op! Dat betekent dat er vandaag chocola moet gegeten worden, het is het één of het ander…:-). Ik heb mezelf overtroffen in kinderachtig ontwijkend gedrag, applaus voor mezelf! Maar goed, de lunch was lekker en Alkmaar is een mooie stad.

Kunnen jullie ook zo moeilijk doen?

Succes

Al zo lang als ik me kan herinneren, wil ik trots zijn op mezelf. Dat is natuurlijk voer voor psychologen. Ik kreeg te véél aandacht, te weinig aandacht, de verkeerde aandacht, vul maar in. Ik zal best onzeker zijn en dat willen compenseren door perfectionisme. Maar de helft van de tijd is het streven naar succes volgens mij ook gewoon een ingesleten patroon, waar ik overigens héél hard van af probeer te komen want veel leverde het tot nu toe niet op, een overprikkeld zenuwstelsel niet mee gerekend.

Met verbazing kijk ik soms naar mezelf. Als ik ergens ga werken, dan wil ik degene zijn die de minste fouten maakt, het beste van de afdeling is. Als ik ziek ben, wil ik degene zijn die het beste herstelt, ook al is het een aandoening waar maar 7 % van herstelt. Hoe dan ook, ik ga bij die 7 % horen! Start ik een blog en zie ik dat de bezoekersaantallen stijgen, dan wil ik per se dat de aantallen blijven stijgen. En een blog is dan natuurlijk niet voldoende. Een boek! Ik moet een boek schrijven! Liefst een boek dat goed verkoopt.

Al het mediteren en ademhalingsoefeningen ten spijt, dat streefgedoe van mij levert stress op. Nu was er natuurlijk eerst het streven, toen de stress en toen pas het mediteren. Bijna als mosterd na de maaltijd. Maar de stress verdwijnt niet alleen omdat je het wilt, ook niet na veel mediteren, want gedrag verandert niet meteen.

Toch lukt het wel. Heel langzaam ontdek ik dat ik niet ben wat ik doe, maar dat ik ben omdat ik euh, nou ja, ademhaal. Ik ben die ogen die me aankijken in de spiegel. Het probleem met het gevoel nooit goed genoeg te zijn, is dat ik weet wat de intenties zijn van die vrouw in de spiegel. Een ander kijkt veel platter naar mij. Die denkt: daar ligt die vrouw op de bank die stukjes schrijft. Ze zien wat ik doe. Wat ze niet zien is alle bagage, dromen, intenties en verlangens die ik wél (de hele tijd) voel. Die berg shit is soms zó hoog en zó zwaar dat het geen wonder is dat ik soms bijna niet van de bank af kan komen.

Het enige dat mij tot nu toe redelijk moeiteloos afgaat is moeder zijn (even afkloppen natuurlijk want we staan aan de rand van de puberteit). Ik ben niet de leukste, beste en zeker niet de meest energieke moeder. Maar ik voel vreemd genoeg geen of weinig stress over mijn eigen functioneren. Natuurlijk twijfel ook ik regelmatig of ik de opvoeding wel goed aanpak maar over het algemeen geniet ik er gewoon van. Ik geniet enorm van mijn kind en ik geniet van het moeder zijn.

Laat het moeder zijn nou toevallig het enige in mijn leven zijn waar ik vooraf geen beeld bij had. Al zo lang als ik me kan herinneren, hoorden kinderen niet bij het plaatje van mezelf ‘als ik later groter zou zijn’ wat ik voor ogen had. Ik zag mezelf niet als moeder en was ook helemaal niet van plan moeder te worden. Ik heb dus jaren in mijn dagdromen en fantasieën mijn toekomst ingevuld zonder gedachte aan een kind.

Dat ik tóch moeder ben geworden is werkelijk waar de grootste verrassing van mijn leven. En omdat ik daar vooraf helemaal geen plaatje of beeld bij had, ben ik maar als het ware meegedreven met wat er gebeurde. En dan bedoel ik niet passief gedobber – S. was geen moetje en juist zeer gewenst na een voor mij volkomen uit de lucht vallende behoefte om toch moeder te worden – maar gewoon mee gaan met de stroom zonder te denken dat ik eigenlijk 20 meter verderop moet zijn of dat ik per abuis in het verkeerde water zwem. Ik ben eindelijk eens bezig met wat ‘is’ en niet met hoe het zou moeten zijn. En dat kan ik best wel een groot succes noemen. Mijn grootste succes is dat waarvan ik niet wist dat het er zou zijn.

Het leert me dat verwachtingen een grote belemmering kunnen zijn en dat het echte leven hier en nu is. En dat succes misschien wel het loslaten van het streven naar succes is. Althans mijn succes. Misschien is dat voor een ander niet het geval. Misschien heb jij juist wel een duwtje in de rug nodig.

Wat belemmert jou? Ben jij ook een perfectionist?

‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’

Nu ik enige tijd op Facebook zit, gebeurt er iets wonderlijks. Ik ga steeds verder terug in de tijd. Werd ik eerst vrienden met mensen uit mijn dagelijkse omgeving – mijn vaste trouwe kern – toen waren de ex-collega’s aan de beurt, oud-klasgenoten van de middelbare school kwamen voorbij en de laatste tijd ‘zit’ ik ineens weer helemaal in mijn klas van de lagere school.

Ik kreeg een uitnodiging van ene Jacqueline, via haar kwam ik bij Lars en Jacques terecht, Sonja ontdekte mij en al snel leek het wel een virus, zó snel breidde het zich uit. We bogen ons over de namen van dat ‘jochie in die lichtblauwe trui op de tweede rij naast Kees’ en ‘dat meisje naast Jeannine’. Sommige namen blijken zich maar slecht verstopt te hebben in mijn brein en komen makkelijk naar boven drijven. Een aantal namen echter is volledig opgeslokt door mijn brein en wordt niet meer prijsgegeven. Als anderen wél de bewuste namen weten op te lepelen, gebeurt er niets in mij, geen één teken van herkenning. Iets wat mij een gevoel van schaamte oplevert.

Sommige kinderen lieten schijnbaar niets achter in mij, anderen wel. Sommige kinderen waren toen mijn beste vriend(in) en nu kan ik me nog nauwelijks herinneren waarom dat was. Anderen – waar ik toen nauwelijks mee speelde omdat er geen klik was – blijken nu bezig met zaken die ikzelf óók belangrijk ben gaan vinden. Die verlegen stille en slimme jongen uit de klas blijkt een enorme leuke sociale vent te zijn geworden voor wie het achterlaten van de lagere schooltijd blijkbaar een enorme bevrijding was. De dromer uit de klas – die we altijd de bioloog noemden, blijkt grappig genoeg echt bioloog te zijn geworden en werkt in Artis. Degene die het hoofd altijd zo koel hield, is nu rechter en dat wekt bij mij geen enkele verbazing. Veel zijn blijven wonen in ons dorp of vlak eromheen, anderen zijn tot in Bangkok terecht gekomen.

We hebben allemaal beelden in ons hoofd van ‘de ander’ en dat belemmert vaak dat we de ander zien zoals hij is. Misschien belemmert het de ander ook wel te worden wie hij wil zijn. Eind september is er een reünie. Het uitgangspunt is een foto uit de eerste klas. We zoeken elkaar op en leggen contacten. Ik vind het leuk maar ook eng. Ook weet ik niet of naar een reünie gaan voor mij wel haalbaar is, fysiek en qua prikkelverwerking. Dat zie ik dan wel weer, september is nog ver weg.

Ik moet nu vaak denken aan de Up-documentaires van regisseur Michael Apte, kennen jullie deze serie? Uitgangspunt in deze documentaire reeks is de spreuk ‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’. Met andere woorden: al op de leeftijd van 7 jaar openbaart zich hoe het leven van een kind eruit gaat zien. Althans, in deze serie wordt onderzocht of bestemming en persoonlijkheid al bij de geboorte vastliggen.  Uit verschillende sociale lagen van de Britse samenleving werden 14 kinderen geselecteerd en gevolgd vanaf 1963, toen ze allen 7 waren. Elke 7 jaar werden ze geïnterviewd over hun leven. Er zijn dus afleveringen 7-up, 14-up, 21-up en zo verder. Inmiddels waren ze 56 jaar in de aflevering uit 2012 (die ik niet heb gezien realiseer ik me).

Wat waren mijn dromen toen ik 7 was? Wat vond ik belangrijk? En wat is daar nu nog van terug te vinden in mij? En bij de anderen? Wat zien de anderen als ze mij straks zien? Op mijn 7e was mijn droom toch zeker niet ME-patiënt worden met een WIA-uitkering. Toch ben ik gelukkig met mijn leven van nu, ook al is het niet het leven dat ik koos. Ik heb geleerd dat het leven niet maakbaar is, maar dat je ervaringen wél maakbaar zijn. Hoe zit dat bij mijn oud-klasgenoten? Lukt het me dat te ontdekken? Wat laten we straks aan elkaar zien?Is de uitspraak ‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’ op jou van toepassing?

Aanvulling na wat nadenken: Als kind was ik dol op lezen en schrijven en dus deed ik dat, veel, heel veel. Ik las me een ongeluk. Elke week naar de bieb om 7 boeken te halen, daarmee kwam ik net de week door. En als het einde van een boek me niet beviel, dan herschreef ik het, net zo tot het me wel beviel En ik verzon zelf verhalen. Schrijven en lezen wou ik als kind. Eigenlijk is er weinig veranderd bedenk ik me…

Kapper

Toen mijn moeder 16 was, ging ze uit werken. Ze kwam terecht in de kapsalon van meneer en mevrouw De Jong, in Haarlem. Eerst mocht ze haren wassen, later werd ze opgeleid voor het echte werk, wassen, knippen en watergolven, want dat had je toen nog. Mijn moeder is qua lengte best klein en ze moest op een kistje moest staan om bij het haar van de mevrouwen te kunnen. Het woord kinderarbeid werd niet genoemd, zo ging dat in die tijd.

Na haar trouwen stopte mijn moeder met werken. Ook dat ging zo in die tijd. Maar contact bleef ze altijd houden met meneer en mevrouw De Jong. Meneer heb ik nooit gekend – die ging al snel hemelen – maar mevrouw kan ik me nog levendig herinneren. Eens in de zoveel tijd werden mijn zus en ik gesommeerd in te stappen in de ouderlijke lelijke eend voor een wereldreis. ‘Uren’ waren we onderweg en de bestemming was een klein propvol huisje onderaan een dijk. Pas onlangs kwam ik erachter dat dit huis in Schagen lag, niet zover van mijn huidige woonplaats. Vanaf de woonplaats waar ik als kind woonde was het hooguit een uurtje rijden, maar het voelde als rijden naar een andere wereld.

Want een andere wereld was het, daar bij mevrouw De Jong. Ze was een beetje eng. Ze praatte met een sterk Duits accent, noemde ons schatje – terwijl we haar nauwelijks kenden – , ze rook vreemd en ze had van die vlechten op haar hoofd. Er was bovendien héél véél mevrouw De Jong, ze was net zo breed als dat ze hoog was en ze droeg huisschorten, dat kende ik ook al niet. Allemaal zaken die – zo bekeken door de ogen van een klein kind – een enorme indruk achter lieten. Eng dus, maar toch ook wel heel fascinerend. Dat gaat vaak samen vinden jullie niet?

Na het zitten en vragen beantwoorden in dat overvolle huisje mochten mijn zus en ik naar buiten. Rennen op de dijk met de hond van mevrouw De Jong, bij de kippen kijken of zomaar in het gras liggen. Ik genoot altijd volop. Na een dag (of wellicht een uurtje) gingen we weer weg. Voor het weggegaan werden we volgestopt met snoep en kregen we elk een rijksdaalder in onze handen gestopt. Voor ons in de vroege jaren ’70 een ongekend hoog bedrag om te ontvangen van iemand die niet je opa of oma was. Sterker nog, van iemand die je nauwelijks kende.

De bezoekjes namen af toen wij gingen puberen en mijn ouders gevangen zaten in hun eigen leven. Mijn vader was te ziek om nog ergens heen te rijden, mijn moeder durfde nergens heen te rijden en mevrouw De Jong was te dik om in een auto te passen. Maar contact was er wel. Eens per jaar werd er flink telefonisch bijgepraat en konden we via mijn moeder op afstand volgen hoe mevrouw De Jong haar huisje in Schagen verruilde voor een flat in de Bijlmer en hoe ze werd kaalgeplukt door één van haar zoons.

Nou wil het toeval dat ik onlangs naar de kapper ben geweest. En zo hee, wat heeft die mijn haar verknipt. Links was het veel langer dan rechts, sterker nog, toen ik thuiskwam stak er een lange pluk uit, die echt zeker 10 cm langer was, vergeten. Want de kapster had het héél druk, eerst met praten en toen met schrikken omdat de volgende klant al op haar zat te wachten. Razendsnel raffelde ze de knipbeurt af. Zó zat ik in de stoel en zó stond ik buiten, beduusd van de snelheid waarmee één en ander afgehandeld was. Echt een heel leuk en enthousiast mens die kapster, maar wel één die niet kan knippen. Normaal ga ik naar een andere dame in dezelfde zaak, de reden dat ik dat nu niet deed was een combinatie van trouweloosheid en toe zijn aan iets anders van mijn kant en mijn eigen kapster die een tijdje weg was geweest om te bevallen en dus even minder op mijn netvlies stond.

Verknipt en verknald dus en dat voor een ongehoord hoog bedrag. Nou zit mijn haar eigenlijk altijd wel, ik heb veel en dik haar met een slag, maar het kon niet tegen het prutswerk op. Na 3 weken mokken en föhnen en gedoe met haargel, belde ik mijn moeder. En die kwam me redden. Laken, schaar en haarspelden mee. Ze hoeft niet meer op een kistje te staan, maar knippen kan ze nog steeds. Dat heeft ze wel geleerd van meneer en mevrouw De Jong. Bovendien heeft ze maar één woord van mij nodig om te begrijpen wat ik bedoel, zo gaat dat met moeders….

Natuurlijk had ik terug moeten gaan naar de kapper. Maar dat kon niet meteen na de (ver)knipbeurt, ik moest naar huis want S. was zijn sleutel kwijtgeraakt (zucht) en zou voor de deur staan. Later kwam het er niet meer van. Ik ben natuurlijk ook gewoon een lafaard want ik vind klagen vervelend.

Zou jij wel zijn terug gegaan naar de kapper?

Zwartgallige zaterdag

Let op: somber stukje waar je niet vrolijk van wordt….

Deze week was prut met peren. Dat ik een koortslip had, een ontstoken oog en nek- en schouderklachten die het verdommen om op te stappen, zal zeker hebben bijgedragen aan het acute ‘waarvoor, waarheen, waaromgevoel‘ dat me besprong. Hoewel ik na jaren niet meer werken wegens arbeidsongeschiktheid, wel een soort van acceptatie heb bereikt, zijn er toch nog af en toe uitbarstingen van ongenoegen.

Dat ik komende maand mijn 6-jarig jubileum vier als thuiszittende ME-patiënt, heeft er ook zeker mee te maken. Natuurlijk gaat mijn gezondheid sinds ruim een jaar goed vooruit en natuurlijk zijn mijn vooruitzichten beter dan pak ‘m beet drie jaar geleden, maar ik zit nog steeds thuis, heb nog  steeds hetzelfde uitzicht en verdien nog steeds niet mijn eigen geld. En blijkbaar is dat zelf geld verdienen heel essentieel voor mij. Ik ben geen thuisblijfmoeder, ik heb niet mijn baan opgezegd omdat ik koos voor een andere manier van leven (niets ten nadele van thuisblijfmoeders maar ik ben het dus niet). Ik heb de pestpokke aan huishouden doen en haal daar ook geen genoegen uit. Door de beperkingen die er nog steeds zijn, kan ik bovendien ook niet het huishouden zelfstandig draaien of op een manier inrichten die voor mij prettig is.

Wil ik dan terug naar zoals het was? Nee! Na zoveel jaar van thuis zitten ben ik zeer gesteld geraakt op de vrijheid die ik heb, weliswaar binnen de beperkingen die de ME mij nog steeds oplegt. Terug naar die kantoortuinstress? Alsjeblieft niet. Ik ben niet meer de persoon ben van zes jaar geleden. Die workalholic die naast haar kantoorbaan ook een opleiding volgde en een praktijk als massagetherapeut probeerde op te starten? Geen flauw idee meer wie dat is. De afgelopen jaren hebben mijn kijk op de wereld heel erg veranderd. Dat ervaar ik overigens als heel positief. Ik kijk anders aan tegen mezelf, bezit, geld uitgeven, behoeften en verlangens.

Misschien is het niet eens het eigen geld verdienen dat me zo dwars zit, dan wel de kwetsbaarheid die ik ervaar. Die kwetsbaarheid is geen eigen keus. Ik kan me niet in ruil daarvoor ten volle inzetten om een volwaardige bijdrage te leveren aan ons gezin. Niet op huishoudelijk gebied, niet op inkoopgebied, niet op opvoedgebied. Dat steekt. Ik kan er niet 100 % voor gaan ook al is het niet helemaal wat ik wil. Ik heb geleerd dat veel ‘doe’ dingen (of het nu werk is, een stom klusje dat je moet doen of je huis dat je onderhoudt of schoonmaakt) interessanter worden door ze gewoon te doen zonder al te veel twijfel, je er gewoon helemaal voor in te zetten. Dat lukt niet, omdat ik nog niet beter ben. Ik pas me voortdurend aan. Ik stel mijn eigen eisen nog steeds continu bij. Mijn plannen veranderen een paar keer per dag omdat het energiepeil,  en dus wat mogelijk is, net zo vaak verandert.

En plannen maken, daar ben ik héél goed in! Plannen zorgen dat ik ergens naar toe kan leven. Eigenlijk gaat het ongenoegen dat ik ervaar  (zo tikkend kom ik steeds verder) niet zozeer om geld verdienen als om zinvol bezig te zijn. Wat dat is, zal voor iedereen verschillen. Maar het is een diepe behoefte om mijn tijd te besteden zoals ik kies te doen, in plaats van er ‘maar het beste van te maken’. De drang om ergens naar toe te werken, om uitdagingen te hebben en af en toe iets af te kunnen sluiten. Om eens in de zoveel tijd achterom te kijken en te denken: ‘dat heb ik toch maar mooi geflikt, ik heb er dit en dat van geleerd en een volgende keer pak ik het zus en zo aan..”

Al zeg ik het zelf, ik heb het positief doen tot een kunst verheven. Was ik vroeger een zwartkijker met depressieve buien, sinds ik ziek ben is het glas vaker halfvol dan halfleeg. Omdenken is mijn manier van overleven geworden. En dat helpt, meestal. Behalve als je een koortslip hebt, een ontstoken oog, pijn in nek en schouders en je 6-jarig jubileum viert van een aandoening die door het merendeel van de wereld niet wordt gezien, gehoord of erkend en niet opstapt, ook niet als je er netjes om vraagt.