Jaren geleden was ik op bezoek bij mijn ouders in mijn ouderlijk huis. Volgens mij studeerde ik nog, het kan goed zijn dat ik daar een paar dagen was om me voor te bereiden op de komende tentamens. Dat deed ik wel vaker: naar het ouderlijk huis gaan en me boven opsluiten om te leren en me even niet druk maken om eten te kopen of de was te doen. Alle kopjes thee werden voor me gezet en met wat lekkers naar boven gebracht. Dat was natuurlijk een groot verschil met mijn eigen thuissituatie van 4-hoog achter in een kamer van drie bij vier waar ratten (echt waar!) en muizen liepen en ik doodsangsten uitstond voor mijn buurman en zijn nog engere en mentaal totaal gestoorde moeder.
Hele dagen studeren dus. Toch had ik blijkbaar iets nodig want ik ging naar de plaatselijke kantoorboekhandel. Ongetwijfeld stond ik te snuffelen tussen de vellen papier en opschrijfboekjes, want dat doe ik als ik in een kantoorboekhandel ben. Opeens zag ik een hele oude man voorbij schuifelen en als vanzelf verstopte me ik achter een stelling.
Wat is dit? Wie is dit? Waarom mag hij me niet zien? Mijn eigen gedrag verbijsterde me. Om een verklaring te vinden sloop ik ongezien dichterbij om de bron van angst nader te bestuderen. Als jij meer dan 25 jaar geleden een vrouw op handen en voeten door de plaatselijke kantoor-boekhandel in Wormer zag kruipen, weet je nu dat ik dit was en is dat raadsel ook weer opgelost.
Nadere bestudering van de hoogbejaarde bleek op te leveren dat hij mijn oude meester van de zesde klas was, meester Kloosterman. Deze meester vond ik doodeng. De reden was dat ik met een eigen, van huis meegebrachte, pen wilde schrijven. Als kind al had ik een tik voor mooie pennen en in mij ogen was mijn met eigen geld bij elkaar gespaarde parkerpen het hoogst bereikbare. Ik was geen rebel in de klas. Ik kreeg nooit strafwerk, hoefde nooit na te blijven, ik was leergierig. Alleen ik wilde wel met mijn eigen pen schrijven en dat mocht niet van meester Kloosterman. Over het algemeen kwam ik niet in opstand maar nu hield ik voet bij stuk.
Kon ik dan uitleggen waarom ik per se met deze pen mijn schriften wilde volkladderen?
‘Hij ligt zo lekker in de hand,’ vertelde ik.
En wat zei de meester tegen de 11-jarige Martine?
‘Ik hoop dat jij dit jaar net zo lekker in mijn hand ligt.’
Voldoende voor een trauma! Doodsangsten stond ik uit. Zie daar de reden waarom ik mij verstopte in de winkel. Ik herkende hem niet eens, maar mijn amygdala registreerde hem wél. Gevaar! Wegwezen! Verstoppen!
De man zal het vast niet verkeerd bedoeld hebben maar ik was in één klap als de dood voor hem. In mijn beleving heeft hij mijn zesde en laatste jaar op de lagere school verpest. Hoe groot en irrationeel een angst zich in je kan verankeren bleek onlangs tijdens een reünie van mijn oude lagere schoolklas. We hebben meester Kloosterman maar heel even gehad. Hij was al heel snel na de start van het schooljaar overspannen en werd vervangen door een ander. Aan wie ik dus geen enkele herinnering heb en mijn amygdala ook niet.
De wolf in mijn herinnering was jaren later veranderd in een hoogbejaarde schuifelende man die zijn krantje kwam kopen. Ik had hem zó omver kunnen lopen. Of revanche kunnen nemen met een mooie opmerking, daar had ik immers minstens 10 jaar over kunnen nadenken. Toch wachtte ik voor de zekerheid maar even met afrekenen tot hij het pand had verlaten.
Is er in jouw herinnering iets ook wel eens veel groter dan het in werkelijkheid was?

