Het is avond.
Ik lig in bed.
Ineens hoor ik een plof.
Een kat op het bed.
Hij springt over mij heen.
Ik voel een neus.
En dan een kopstoot.
En nog een.
Dat is Gerrie.
Die geeft geen kusjes,
maar kopstoten.
Vol liefde
maar wel zo hard
dat ik regelmatig
mijn tandvlees
uit mijn slotjesbeugel peuter.
De kopstoot betekent
“Aai mij, nu!”
Afgericht als ik ben,
aai ik Gerrie.
Hij leunt zwaar
tegen mijn buik aan.
Ik voel de stress
uit zijn lijf glijden.
Langzaam,
heel langzaam,
zakt hij door zijn poten.
Hij biedt zelfs
zijn buik aan.
Even,
heel even,
is alles goed
voor deze kat.
Hij voelt zich
veilig.
Dat duurt meestal
maar heel even.
De buitenwereld
dringt zich altijd
weer op.
Een geluid,
een kuchje van mij,
een andere kat
die op bed springt,
al snel is het teveel.
Maar toch
is er progressie.
Hij vlucht
en binnen
5 minuten
staat hij weer
om aandacht
te vragen.
“Aai mij, nu!”
Het leven
van Gerrie
bestaat uit
heel veel minuutjes
van schrik en herstel,
van vluchten en knuffelen.
Van observeren
en conclusies trekken.
En die conclusies
vallen steeds vaker
in ons voordeel uit.
Omdat ik me vandaag nogal opwond over een stuk van Max Pam in De Volkskrant, schreef ik onderstaande reactie op mijn Facebookpagina. Ik deel het toch ook maar hier, komt ie:
Soms bekruipt mij het gevoel dat er een scheiding is in de samenleving. Heb je een aandoening als kanker of ALS of iets anders goed zichtbaars, dan mag je daarmee naar buiten treden. Heb je een burn out, of een aandoening als Fibromyalgie, ME, of een andere ziekte die jaar in jaar uit denigrerend wordt omschreven als modeziekte, dan moet je je bek houden en je schamen. Natuurlijk is het verschrikkelijk als je kanker krijgt. Maar andere aandoeningen hebben ook veel impact en dat wordt vaak niet gezien.
Treurig genoeg lees ik keer op keer in de krant columns en artikelen van medisch niet onderlegde eikels die menen te weten dat mijn ziekte:
– een modeziekte is
– is verdwenen (ja echt, wat fijn, dat wist ik niet)
– is ingebeeld.
En dan een week later of een maand later lees ik weer in de media dat nu dan toch echt bewezen is dat ME niet ingebeeld is. Fijn, ben ik toch niet gek!
Vandaag kreeg Max Pam een podium in De Volkskrant voor zijn nergens op gebaseerde mening over ‘modeziekten’. Hoezo ziekten die verdwenen zijn? Enig idee hoeveel mensen ME hebben? En hoe lang de aandoening al erkend is als neurologische aandoening door de WHO? Wat ME überhaupt inhoudt?
Je zou Pam bijna toewensen dat hij ook een aandoening krijgt die niet serieus genomen wordt en dan alle artsen afloopt, steeds wanhopiger wordt en dat hij dan ook door een niet empathische zelf ingenomen eikel in de krant belachelijk wordt gemaakt. Bijna. Want ik weet wat het is en wens het niemand toe.
Natuurlijk is t een keus om een programma over je burn out te maken, maar Pam hoeft niet te kijken. Het is juist goed als mensen open zijn over de aandoeningen die ze treffen en zich kwetsbaar opstellen. Zeker als het om aandoeningen gaat waar meestal lacherig over wordt gedaan. Je zal het maar krijgen, dan piep je wel anders.
Waarom mag er wel een programma over kanker of euthanasie worden gemaakt en niet over depressie, burn out, ADHD, ME of wat dan ook? Ga je schamen Pam!
Zolang er gevoelloze eikels als Pam zijn, zijn er ‘narcisten’ als Hilbrand nodig. Om een discussie op gang te brengen. Want al die zogenaamde ‘modeziekten’ zijn waarschijnlijk het gevolg van een samenleving die niet in balans is en waarin mensen teveel worden opgejaagd /zich laten opjagen om te voldoen aan ongezonde eisen. Het kan anders en het moet anders. Sophie doet in ieder geval een poging iets bij te dragen. Nou jij nog Max. Al heb ik liever dat jij je mond houdt over dit onderwerp.
(Het programma zelf ken ik alleen van horen zeggen. Ik reageer puur op de aanvallende denigrerende en veroordelende toon van Max Pam.)
De laatste tijd gaat het super. Sinds de B12-injecties is er weer een gestage vooruitgang. Niet dat ik ineens kan hardlopen maar ik kan wel iets meer dan voorheen. Het gaat allemaal net even makkelijker. Ik kan regelmatig mijn middagdut overslaan. Stap iets vaker op de fiets om even naar een winkel of de bieb te gaan. En als ik dan een terugslag heb, dan houd ik me twee dagen rustig en dan ben ik er wel weer.
Alleen nu even niet. Sinds de stress van vorige week en de slapeloze nacht die erop volgde, is het fragiele evenwicht zoek. Ik heb meteen pas op de plaats gemaakt en meer rustpauzes ingelast maar nu ruim een week later, lijk ik me alleen maar slechter te voelen. Ik deed vandaag wat ik eigenlijk nooit doe. Ik bleef liggen. Meestal probeer ik ook op slechte dagen zoveel als mogelijk een normaal ritme te hebben. Dus sta ik meestal gelijk op met de mannen, douche me na het ontbijt en begin dan met de dag. Handelingen als eten in etappes koken, de was doen, schrijven en lezen worden afgewisseld met rusten. Maar vandaag (gisteren als jullie dit lezen) bleef ik liggen. Ik werd wakker in een leeg huis en besloot tot een pyjamadag.
Dit is een echte PEM. Een watte? PEM: Post Exertional Malaise. Ik zal het uitleggen. Het lijf en brein reageren buitensporig op een activiteit. De reactie strookt niet met de geleverde inspanning. Omdat het normale herstellende vermogen van het lichaam niet goed meer werkt – inspanningsintolerantie – kan het ook zomaar gebeuren dat iemand met ME weken plat ligt na een kleine activiteit. Het betekent een verergering van alle klachten en symptomen van ME.
Een PEM kan door van alles uitgelokt worden. In mijn slechtste tijd gebeurde het al als ik ging douchen op een toch al slechte dag. De laatste jaren gebeurt dit niet meer. Ik schreef er zelfs wel eens een stukje over (de PEM voorbij). Ik leef al een aantal jaren tussen de onderlijn en de bovenlijn. Ik heb mijn verwachtingen bijgesteld, ben wat realistischer geworden, voel mijn lijf beter aan en handel daar naar. Zo heb ik toch iets van grip weten te krijgen op de ongrijpbare aandoening die ME nu eenmaal is.
De stress van vorige week was buitensporig. Mijn reactie erop was ook buitensporig. En de gevolgen zijn dat dus ook. Vorige week kreeg ik weer eens een snerende reactie van een lezer die schreef dat het een wonder is dat mijn man nog niet gillend is weg gelopen en dat ik een stresskip ben met een ingebeelde ziekte.
Ja, ik ben dolblij met mijn man! En natuurlijk heb ik dit ook wel eens gedacht, dat hoef je me echt niet naar mijn hoofd te slingeren ;-). Alleen zie ik mezelf niet alleen als een patiënt/stresskip maar ook als partner die ook wat te bieden heeft. Natuurlijk is ons leven heel erg aangepast maar ik durf toch wel te beweren dat wij meer lol hebben en het beter hebben met elkaar dan veel anderen. Deze specifieke lezer heb ik niet kunnen duidelijk maken wat ME is. Dat ME allereerst toch echt een door WHO erkende neurologische aandoening is, al in 1969. Deze lezer zal waarschijnlijk iedereen die last heeft van iets niet zichtbaars een zeikerd vinden. Het zij zo
Fijner vind ik het te lezen dat mijn lieve oud klasgenote op FB schrijft dat ze steeds meer snapt wat het nu echt is om ME te hebben. Dat ik mails krijg van mensen dat hun nicht, partner, kind ook ME heeft en dat ze door wat ik er over schrijf, nu beter begrijpen wat het inhoudt. Dat ze meer begrip kunnen opbrengen omdat ze door mijn stukjes beseffen dat ME meer is dan een beetje moe zijn en dat het veel praktische obstakels oplevert.
Dat raakt me. Het doet me goed. Want mijn eigen ervaring is dat als je iets over ME leest in de media, het bijna altijd hetzelfde is. Elk keer weer lees ik dat dan nu dan echt bewezen is dat het geen ingebeelde ziekte is. Blijkbaar moet dat elke keer weer opnieuw onderzocht worden. En verder hoor je er nooit meer iets van. Omdat de meeste ME-patiënten niet de puf hebben om de barricaden op te klimmen, te vechten voor meer wetenschappelijk onderzoek. ME is niet hip en ook schijnbaar niet dodelijk genoeg. En ME-patiënten zijn suffe sukkels die doorgedraaid op de bed of bank liggen met een PEM. Net als ik vandaag. Alleen ik kan er een stukje over tikken en een brug bouwen van mijn bank naar jouw laptop.
Een echte PEM dus. Die we gewoon maar weer uitzitten en uitliggen. Het verschil met voorheen is toch wel dat de PEM zo lang weg bleef. Dat ik er zo anders mee om kan gaan. En dat ik zie dat er toch een stijgende lijn is. Met vallen en opstaan kom ik steeds verder. Voorwaarts kruip!
Hoewel ik altijd een zeer goed ontwikkeld gevoel voor drama heb gehad, ben ik ook kampioen relativeren en alles van twee kanten bekijken. Legt iemand mij een probleem voor of zoek ik zelf een oplossing voor iets, dan bekijk ik het tot in den treure. Maar gebeurt er iets onverwachts, dan stap ik over op het volgende zeer goed ontwikkelde onderdeel: ik schiet in de stress.
Sinds ik ME heb, neig ik naar het laatste. ME is in mijn ogen (en die van behandelaar Ashok Gupta) een ge-escaleerde stressthermometer, waarbij door het voortdurend slaan van alarm – ook als er niets aan de hand is – bepaalde processen in het lichaam spaak lopen. Stel je zelf maar voor in een vecht-of-vlucht-reactie: je ademhaling slaat op hol, je staat op scherp, grote kans dat je spijsvertering het even niet doet. Als je lichaam continu in zo’n staat verkeert, dan vallen er wel meer dingen uit.
Gelukkig heb ik in de loop der tijd wel geleerd (met hulp) hoe ik hiermee om kan gaan. Vooral van belang is dat ik het brein zo kalm mogelijk houd, dat ik kleine signalen leer herkennen die me erop wijzen dat ik overprikkeld raak en dat ik prikkels zeer gedoseerd tot me neem. Hoe meer in balans ik ben, hoe beter ik prikkels kan opvangen en weer laten afvloeien. Voor mij geen cooling down na het sporten maar een calming down na te veel prikkels.
Natuurlijk geldt dat voor veel mensen in meer of mindere mate. Alleen is het verschil dat ik mensen vaak hoor zeggen dat ze uitgeput zijn na een gebeurtenis maar ze kunnen de volgende dag wel weer aan het werk – weliswaar wat meer moe – en hun activiteiten rustig aan weer oppakken. Bij mij toeteren dingen wat langer na. En dat heeft tot gevolg dat ik soms dagen niets kan doen omdat het brein niet begrijpt dat de gebeurtenis al over is. Mijn brein is net zo’n sneeuwbol, alleen de sneeuw zakt niet maar blijft dwarrelen, nog uren en dagen nadat het schudden is gestopt. Mijn lijf houdt er dan gewoon even mee op. Dat geeft niet, het is zoals het is. Waarom ik het benoem is niet omdat ik zielig ben, maar omdat ik hoop mensen duidelijk te maken hoe het is om met ME te leven.
Hoe dat bij mij werkt maakte ik afgelopen week weer eens mee. Dibbes was zoek. Zoek als in weg, niet te vinden. Hij vertrok om half 5 in de middag en verdween even van de radar. Om half 6 krijgen de katten altijd eten en ik werd aangestaard door 6 verwachtingsvolle ogen, maar niet die van Dibbes. Dat was al vreemd. Want Dibbes is zeer op eten gesteld en een kat van de klok.
Om 7 uur was hij er nog niet. Dus deed ik een rondje straat, roepen, steeg door naar een andere straat, weer roepen. Niets. Toen moest ik terug. Het was het eind van de dag en de energie was al meer dan op. Man en kind gingen een uur later ook op zoek en deden een hele grote ronde. De wijk door, het park, naar de voetbalvelden. Ook niets.
Natuurlijk is het normaal dat een kat op stap gaat. Moos en Smoes blijven dagelijks uren weg. En zeker in het voorjaar is er meer hang naar avontuurtjes beleven. In zijn jonge jaren verdween Moos bovendien regelmatig in het voorjaar een of twee dagen. Dat hij gecastreerd is, deed daar niets aan af. Hij kwam dan uitgehongerd en intens tevreden weer terug en had zijn punt weer gemaakt. Weliswaar niet gescoord bij poezen maar blijkbaar toch zijn mannelijkheid bewezen.
kijk, dit is normaal voor Dibbes: onder een struik en naar binnen gluren
Maar Dibbes doet dat niet. Hij gaat regelmatig naar buiten maar komt eigenlijk nooit verder dan de voor- en achtertuin en de steeg. Getraumatiseerd als hij is door zijn verleden, is buiten vooral eng en onveilig. Hij zit meestal in de voortuin onder een struik te gluren naar de buitenwereld voorbij de heg of naar binnen naar ons. Dát is al heel spannend en na 5 minuten is het meestal genoeg voor hem. In de zomer gaat hij wel vaak na het eten met de anderen echt buiten spelen. Maar zijn eten overslaan, dat is ondenkbaar.
Dus schoot ik in de stress. Hij is dood/gewond/geschrokken en verdwaald! (alles tegelijk natuurlijk). Mijn geest is bijzonder creatief in het bedenken van de meest gruwelijke scenario’s. Ik vind bovendien de gedachte onverteerbaar dat een kat met zijn verleden de weg kwijt raakt en opnieuw zou moeten zwerven. Als hij gewond zou zijn, zou hij zich bovendien niet laten benaderen door mensen. Hij vertrouwt vrijwel niemand. Nou ja, mij wel na veel geduld van mijn kant en dus staat hij wellicht ook open voor een ander, maar dát bedenk ik dan in de agitatie niet.
Ik schoot in de stress en draaide door. Daar kon de man niet op tegen redeneren met zijn ‘hij komt wel weer terug’. Dibbes, mijn Dibbes! Ik heb hem net zo hard nodig als hij mij. Dat blijkt maar weer. Ik ging naar bed want ik kon op dat moment niets doen. Als hij de volgende dag er nog niet zou zijn zou ik Amivedi inschakelen en posters ophangen. Tot die tijd lag ik in bed en zag met verbazing wat er met mijn lijf gebeurde. Mijn hartslag was 130 per minuut, uren lang, gewoon terwijl ik lag. Na een paar uur kwam daar de ene zweetaanval na de andere bij en lag ik letterlijk te drijven in bed.
Om 01.52 uur sprong meneer op het bed. Dibbes! Enorm geagiteerd en met grote paniekogen. Snel naar beneden met hem en hem eten gegeven. Hem gecontroleerd op wonden maar ik mocht hem overal aanraken. De andere katten snuffelden aan hem en waren ook zeer geagiteerd, hij rook overduidelijk vreemd te zien aan hun reactie. Dus ik ook snuffelen maar hij rook voor mij gewoon naar Dibbes.
Nu kon ik slapen! Dus hop, naar boven met zijn allen. Maar slapen ho maar. Mijn hartslag was wel in een keer weer normaal en het zweten was ook over. Maar hoewel ik heel opgelucht was, begreep mijn brein niet dat het klaar en voorbij was, de stress. Dat begrijpt mijn brein, nu drie dagen later terwijl ik dit schrijf, nog steeds niet. Ik sta als het ware verkeerd afgesteld ;-).
Ik slaap nauwelijks, heb overal spierpijn en ben volledig uitgeput. Mijn brein blijft hangen in de reactie. Maar weet je, dat interesseert me niet echt meer. Ik stap over op plan B en dat is dus ‘calming down’, nóg minder dan niets doen, wat meer ademhalingsoefeningen en mezelf vertroetelen, lange warme douches, veel rusten. Vroeger zou ik boos zijn geworden op mezelf. Nu is het zoals het is. Zo reageert mijn lijf en brein. En hoe beter ik me daar bij neerleg, des te sneller ik weer op een acceptabel activiteitenniveau zit.
Het belangrijkste is toch wel dat ons Dibbesbeertje weer terug is. Hij is nog erg schrikkerig en erg moe. Ik denk dat hij ergens opgesloten heeft gezeten. Of hij is ergens heel erg van geschrokken en durfde niet eerder te voorschijn te komen. Het maakt niet uit, hij is er weer! Dibbes!
Nog niet zo lang geleden
was Gerrie een zwerfkat.
Dat hij nu een geliefd vachtje is,
weet hij soms wel en soms niet.
Het verleden laat zich niet
zomaar uitgummen.
De reflexen van vluchten,
niet kunnen vertrouwen
en wegduiken voor klappen
zitten nog pal
onder het oppervlak.
Hij lijkt heel wat
maar zeg je één keer “boeh!”
dan verandert onze Gerrie
in een hoopje ellende.
Dus hebben we met hem
een inmiddels vertrouwde cyclus
van genieten,
schrikken,
hard weg rennen
ALLES IS ENG!!
dagen in sluipgang
door huis en tuin lopen
en zich vaak verstoppen,
naar “o ja, maar jij bent niet eng!
Nou vooruit, ik geef je een kopje.
weet je wat, ik ga voor je liggen rollen
en ach, dan kruip ik ook
gelijk maar bij je in bed”.
Gerrie is vaak erg ongelukkig.
Bang en schrikkerig.
En zijn ‘normale’ staat
is gematigd en voorzichtig
in het leven staan.
Zijn verleden vormde hem
tot wat hij nu is:
een voorzichtige angstige kat
met weinig zelfvertrouwen.
Hoe hij echt is,
zagen we nog nauwelijks.
Het duurde even
voordat deze kat begreep
dat niet iedereen
‘he-jij-daar-vieze-zwerver-ksst-ga-weg”
tegen hem zegt.
Net zoals het even duurde
tot de klitten en teken
uit zijn vacht verdwenen
en de wondjes heelden.
Langzaam aan
valt bij hem het kwartje
dat hij Gerrie is
en dat hij mag zijn
wie hij is.
In de ochtend heeft hij
een ren- en speeluurtje.
Doet lekker gek en maf,
rent trappen op en af,
speelt verstoppertje
en kiekeboe
met de andere katten.
En met knuffelen,
vergeet hij soms
zichzelf en zijn angsten
en laat zich gaan.
Soms zelfs bij een ander mens
dan de kattenvrouw.
En héél soms zijn er momenten
dat hij zich echt veilig voelt.
alles is goed zoals het is.
Die momenten
komen steeds vaker voor.
En dat ontroert,
steeds weer.
Dit is Gerrie.
Gerrie miauwt en kletst,
knuffelt en geniet.
Slaapt en rolt en spint.
Geeft kopstoten, likjes,
achtervolgt me overal
en poept op de bak,
elke avond precies
om kwart voor 7.
Alle dagen.
Een kat van
de klok en regelmaat
en niet meer van de straat.
Wie katten heeft, ontkomt niet aan het aspect verzorging. Ze moeten ontvlooid worden, je vindt soms teken in een hals of oksel, het gebit vraagt aandacht – vooral als ze wat ouder worden – en soms is er ook iets anders. Een abces of zo en moeten er medicijnen worden toegediend.
Na jaren met katten samenleven ben ik hier natuurlijk wel aan gewend geraakt. Pillen toedienen bij een kat – zeker de vier die ik nu heb – blijft helaas vaak neerkomen op veel gedoe, al reageren ze allemaal op geheel eigen wijze. Ze krijgen allemaal minimaal 4 keer per jaar een pil, omdat ik er elk kwartaal een wormenpil in gooi. Daarnaast krijgen twee van de vier katten antivlooienpillen, omdat ze hysterisch worden van een pipetje en de pipetjes ook niet voldoende werken. Die vlooienpillen werken vier weken. Ze krijgen natuurlijk alleen in het vlooienseizoen maar de eerste antivlooienpil heb ik nu al weer moeten geven. Het immuunsysteem van de ex-zwervers werkt niet optimaal en vlooien hebben dat heel goed door.
Elke kat hier thuis heeft zijn eigenaardigheden en dat heeft ook gevolgen voor het toedienen van pillen. Ze reageren allemaal anders. Wat ik niet meer doe, is ze allemaal op dezelfde dag een wormenpil te geven. Dat werkt niet met vier katten. Tegen de tijd dat ik één pil in iemands strot heb weten te mikken, zijn de andere drie spoorloos verdwenen. Dus doe ik een pil per dag.
Wil ik een pil geven dan leg ik de pil klaar op het aanrecht en een injectiespuit gevuld met water. Dat water is bedoeld om meteen in de bek te spuiten zodra ik de pil naar binnen heb weten te krijgen. Ze moeten dan wel slikken, zeker omdat ik dan tegelijkertijd ook over hun keel wrijf.
Ik dien de pil meestal toe als ze eten. Ik zet een bak natvoer voor de neus, het slachtoffer gaat lekker eten, ziet me niet aankomen, wordt opgetild en op het aanrecht gezet. Snel handelen levert het beste resultaat op.
Moos en Smoes vormen de grootste uitdaging. Til ik Moos op dan weet hij meteen wat er gaat gebeuren en past een hele slimme tactiek toe. Hij gaat op zijn achterpoten staan, strekt zich helemaal uit en steekt zijn voorpoten zo ver mogelijk in de lucht, onderwijl naar het plafond turend, nadenkend over deze verschrikkelijke onheuse bejegening. Sta ik daar met mijn 1 meter 67 en een uitgestrekte boze kat op het aanrecht. Probeer er dán maar eens een pil in te gooien. Dat eindigt dus met een potje vrij worstelen en dat heeft gevolgen voor de goede band tussen mens en kat. Tot uren erna wenst hij geen contact met mij.
Dibbes is redelijk makkelijk met pillen. Het is ook de kat die van de huidige vier het meest pillen kreeg toegediend, dus enige gewenning is er wel. Hij eet, ik til hem op, knijp in zijn kaak, die klapt open, ik mieter de pil naar binnen, water erbij, keeltje wrijven en klaar. Het is dan zaak hem meteen weer op de grond bij zijn bak te zetten en dan is het “oh eten! Lekker!” en gaat hij verder waar hij gebleven was. Helaas zijn de antivlooienpillen zó groot dat ik die door vieren moet snijden en is er na het toedienen van de eerste kwart voldoende agitatie om ook dit te laten eindigen in een potje vrij worstelen. Maar een wormenpil is meestal geen probleem.
Gerrie vindt alles eng dus ook het toedienen van pillen maar laat zich toch heel goed benaderen en oppakken. Hij stribbelt wel wat tegen maar is meer onder de indruk dan dat hij echt tegenwerkt. En ook hij is het snel vergeten als ik hem weer snel bij zijn volle bak voer neerzet. Hij blijft juist in de uren erna vaak bij mij in de buurt, alsof hij denkt dat hij iets met mij moet goed maken, de schat.
En dan Smoes, ja Smoes. Als ik heel zacht denk “nu is Smoes aan de beurt” dan vangt hij dat op en gaat er vandoor, meestal zo door het kattenluik naar buiten. Geen kat is zó snel als Smoes dus die krijg ik dan echt niet meer te pakken. Behoedzaam op hem aflopen terwijl hij eet, fluitend, lieve woordjes uitsprekend, allemaal zinloos, weg is ie! Dus is de enige optie hem grijpen als hij slaapt, hem klem zetten tussen mijn knieën, pil erin duwen en klaar. Dat werkt redelijk al heeft het wel tot gevolg dat hij de eerste dagen na het toedienen alleen nog maar slaapt op voor mij onbereikbare plekken.
Je hoeft natuurlijk niet een pil in de bek te proppen, er zijn andere manieren. Wat ik ook wel eens doe is de pil helemaal fijnmalen, mengen met water, dat opzuigen in een injectiespuit en spuiten in de bek. Wordt niet gewaardeerd maar het werkt meestal wel. Pillen in eten verstoppen is kansloos hier, de eerste keer lukte dat – “hmm lekker leverworst”. De tweede keer is het al “Dat ruik raar. Getver wat is dat, denk je dat ik gek ben!” en de derde keer komen ze niet eens meer in de buurt van de bak, diep beledigd over mijn doorzichtige gedrag. Het doorslaande succes van de easypill – een vouwbare pasta met de smaak van kattenbrokjes en waar je pillen in kunt verstoppen – was dus ook eenmalig.
Gelukkig wordt het tandpoeder dat ik dagelijks over het eten strooi wél zonder morren naar binnen gewerkt. Maar alleen als ik ze het alle vier geef. Iets wat afwijkt, wordt niet getolereerd. Dus krijgen hier vier katten tandpoeder over het eten omdat één kat dat nodig heeft. Maar, het is ook goed om te voorkomen dat ze tandklachten krijgen dus zeker geen weggegooid geld.
Met weemoed denk ik nog wel eens aan Poes Dorrit. Die moest ik 5 jaar lang alle dagen een schildklierpil geven. De eerste maand was het een drama en daarna deed ze braaf haar bek open, slikte de pil door en klaar. Maar dat was een vrouw, dat zal vast schelen ;-).
Na het drama in december duurde het even voor Dibbes weer het mannetje was. Met drama bedoel ik het dierenartsbezoek voor een gebitscontrole met een grote emotionele nasleep. In november bleek tijdens de reguliere jaarlijkse controle dat zijn gebit in slechte staat was. Dat was het jaar ervoor ook al het geval en er zijn toen onder narcose twee kiezen getrokken. Nu wéér kiezen eruit halen terwijl het beest nog niet eens 7 is, vond ik geen fijn idee. Op zich is de slechte toestand van zijn gebit natuurlijk helemaal niet vreemd met zijn verleden.
Voor de zekerheid werd een ingreep gepland voor in december. En in de tussenliggende tijd mocht ik proberen de staat van zijn gebit te verbeteren. Dat deed ik vol overgave met tandpoeder, massage van zijn wangen en speciale brokken en groot was de opluchting dat de geplande ingreep niet door hoefde te gaan.
Dibbes in een mand krijgen is een drama. Dat lukt alleen met drugs. Voorheen was het dan zo dat eenmaal in de mand, alles wel redelijk soepel liep maar nu was het in de auto de hel. Hij werd volledig hysterisch. Na thuiskomst herstelde hij niet echt en toen de volgende dag de schilder op de stoep stond en de voorkant van ons huis ging schilderen was het drama compleet. Een drama met veel dieptepunten en veel gejammer van Dibbes en mij. Hij verliet het huis in overspannen toestand, denk aan volledig doordraaien en zwalkend de tuin uitrennen, overal tegenaan botsend. En ik had het natuurlijk allemaal gedaan!
kijk, hier is de liefde weer opgebloeid
Natuurlijk kwam het toch weer goed maar het duurde wel een paar weken voor de band tussen mens en kat weer helemaal hersteld was. Zeker ook vanwege het vuurwerkgeknal in december dat weliswaar best meeviel dit keer, maar toch teveel was voor het toch al getraumatiseerde overgevoelige beest.
Inmiddels is hij weer helemaal het mannetje en vooral zichzelf. Dat betekent: klonterig onhandig gedrag, buitensporig knuffelig en gericht op mij, speels naar de andere katten toe en een haat-liefde verhouding met Gerrie.
Toen Gerrie erbij kwam nu twee jaar geleden, was dat behoorlijk slikken voor Dibbes. Hoewel waarschijnlijk afkomstig uit hetzelfde nest (gezien overeenkomsten in gedrag, geschatte leeftijd, uiterlijk en het feit dat ze rond dezelfde tijd ineens opdoken) waren ze overduidelijk vijanden van elkaar. Het straatleven had ze tot concurrenten gemaakt. Daarbij kwam dat ze in de begintijd allebei erg onzeker waren en erg op mij gericht. Zag de één dat er met de ander geknuffeld werd, dan was het tijd voor actie. Dibbes deed dat door met veel drama en gegil de aandacht te trekken of zich zo voor mij te werpen dat Gerrie letterlijk opzij werd geduwd.
Inmiddels tolereren ze iets meer van elkaar. Soms wordt er samen gespeeld en ik heb ze nu al vrij vaak betrapt terwijl ze vlak bij elkaar liggen te pitten.
De nieuwste ontwikkeling is samen op stap gaan. Dibbes is de baas en loopt voorop. Dat gaat zo. Hij gaat bij de voordeur zitten om aan te geven dat die open moet. Want het altijd open kattenluikje bij de achterdeur, ja, dat is ook weer zo flauw als iets zo makkelijk gaat. Doe ik de deur open dan stapt Dibbes over de drempel, kijkt over zijn schouder en begint te miauwen. En dat is voor Gerrie het sein om op te staan en onmiddellijk erachter aan te stormen. Zo lopen ze dan samen de tuin uit, het avontuur tegemoet. Ze slaan linksaf de steeg in, nog twee keer links en dan door de achtertuin richting kattenluik. Bij binnenkomst miauwt Gerrie. Die moet altijd even vertellen dat hij terug is, mocht ik hem gemist hebben die 5 minuten dat dit hele avontuur duurde. En dat dus een paar keer per dag, ze hebben het druk ;-).
Ik ga wel op zoek naar een andere reismand voor katten. Ik zag ergens manden die aan de bovenkant opengaan en die meer afgesloten zijn, dat lijkt me beter. De manden die wij nu hebben, hebben een deurtje met tralies aan de voorkant maar daar kan hij zijn poten doorheen steken en vorige keer zat hij helemaal klem aan de onderkant en zat zijn poot vast. Wat bepaald niet bijdroeg aan de sfeer in de auto. Alleen de mand die ik bedoel zag ik ooit op een foto maar ik kan ze niet vinden in dierenwinkels, ook niet online. Als iemand een tip heeft waar je dit soort manden kan kopen, graag.
Update, bedankt voor het meedenken! Ik kreeg reacties, ook per mail, van lezers met tips. Adriana vond precies wat ik bedoelde en via FB kreeg ik een reactie van iemand met een kattenopvang die uit mijn omschrijving ook begreep dat het om de Pet Caddy ging.
Deze mand dus: stevig, kan tegen een stootje en een zware of grote hysterische kat en heeft een deksel van boven, het is de Pet Caddy transport box:
Voor nu eerst even rust en het gezapige leven, altijd goed voor mens en dier.
Vanmorgen was ik redelijk vroeg op stap in een stille zonnige wereld, echt de stilte na de storm. Er waren nauwelijks mensen op straat, overal takken maar wel heerlijk weer. Ik was naar de huisarts voor mijn B12-injectie. Sinds eind 2016 krijg ik twee keer per week deze injecties. Toen ik ermee begon maakte ik de afspraak dat ik het 3 maanden zou proberen. Dit omdat het bij sommige mensen lang duurt voor het aanslaat en het een veel voorkomende fout is dat mensen te snel stoppen.
Even ter herinnering over hoe en waarom ook al weer. Waarom B12-injecties? Veel ME-patiënten hebben er baat bij ondanks dat ze geen aantoonbaar b12 tekort in hun bloed hebben. Dat positieve effect is er niet of minder als dezelfde dosering in tabletvorm wordt genomen. Iets wat ik kan beamen want die tabletten deden helemaal niets bij mij. Het schijnt in dit geval niet zozeer te gaan om de waarden in het bloed maar om de opname van de B12 naar de hersenen toe, dat gaat bij veel ME-patiënten mis.
B12 zorgt onder meer voor de aanmaak van rode bloedcellen en is cruciaal voor een goede werking van het zenuwstelsel. Het speelt ook een grote rol bij de stofwisseling in de darmen. Zo is er een relatie tussen een verstoorde B12 opname en voedselintoleranties, iets waar veel ME-patiënten last van hebben. De klachten die bij een B12 tekort horen doen trouwens bijna allemaal denken aan klachten die bij ME horen, ook als er dus geen B12 tekort wordt aangetoond. Denk aan chronische vermoeidheid, klachten van het zenuwstelsel, slecht werkend immuunsysteem, krachtverlies. Het is evenwel niet zo dat een B12-tekort dus maar het zelfde is als ME/CVS. Onder meer omdat ME ook kan worden uitgelokt door andere omstandigheden dan een B12 tekort. Maar dat er een verband is, dat is wel duidelijk.
Een theorie is dat bij ME/CVS een overdaad aan stikstofmonoxide (NO) wordt geproduceerd, wat kan leiden ‘tot langdurig energietekort en inmmuundisfunctie’ (bron: ME-Gids). Heel kort door de bocht: er gaat te weinig zuurstof naar de cellen met als gevolg bijvoorbeeld een opeenhoping van gifstoffen in het lijf. B12 kan dit tegengaan door de NO te neutraliseren. Niet bij iedereen en waarom bij de één wel en de ander niet, is onduidelijk. Een kwestie van uitproberen dus.
Een normaal prikprotocol bij B12 tekort is 5 weken lang een keer per week prikken, dan de bloedwaarden meten en dan overstappen op een onderhoudsdosis van meestal een keer per vier weken. In geval van ME werkt het iets anders. Welke dosis aanslaat is per patiënt verschillend en zo ook het aantal keer prikken per week. Het is dus even zoeken. Omdat ik las dat het soms 3 maanden duurt voor het aanslaat, besloot ik het minimaal 3 maanden te proberen. Die drie maanden zijn inmiddels voorbij. Hoe staat het er voor?
Goed! Na 4 weken prikken begon ik effect te merken. Het is niet zo dat ik me heel veel beter voel of stukken energieker. Maar wel is het zo dat de motor nét wat makkelijker aanslaat en ik daardoor in staat ben iets meer te doen. Ik besloot dat extra beetje te stoppen in leuke dingen en dus ging ik in 3 maanden tijd maar liefst vier keer naar de film. Ook maakte ik een paar keer een wat langere wandeling, liep twee keer per week naar de huisartsenpraktijk voor de prik zelf, at vriendin M. hier een keertje en ging ik een keer uit eten. Tussendoor vierden we ook Kerst en Oud & Nieuw. Alles bij elkaar best veel activiteiten voor mijn doen en dat in wat normaal mijn slechtste tijd van het jaar is.
Ik ben dus behoorlijk positief. Ik verwacht niet hier beter door te worden. Maar ik verwacht wel na deze eerste positieve resultaten dat ik er nog meer uit kan halen dan dit. Want als ik nu al in wat normaal voor mij een slechte tijd is, iets meer kan doen, hoop ik in het voorjaar meer op te kunnen pakken.
Voor de beeldvorming. Het is niet zo dat ik nu ineens van alles kan. Nog steeds is het zo dat ik op een dag douche, kook, een stukje schrijf en verder weinig tot niets. Ik doe een paar keer per week de was maar plan dat zo dat ik bijvoorbeeld de wasmand met natte was niet hoef te sjouwen. Dat doen man en kind voor mij. Maar de machine en droger vullen doe ik wel en het opvouwen en opbergen ook. Het is dus nog steeds heel beperkt allemaal en als ik zoals vorige week een gesprek van 1,5 uur heb bij de audiciën dan reageert mijn lijf even goed met spierpijnen en een flinke terugslag en moet ik mijn activiteiten aanpassen.
Maar jullie kunnen je vast voorstellen dat het mentaal een enorme opkikker is dat er iets meer mogelijk is. Voor nu ga ik door met twee keer per week prikken tot ik merk dat de vooruitgang niet verder gaat. Dan wil ik langzaam de frequentie terug gaan brengen tot een onderhoudsdosis. De huisarts geeft me de vrije hand hierin. Ook hoop ik uiteindelijk de man zover kan krijgen dat hij mij gaat injecteren, zodat ik niet meer naar de praktijk hoef. Of dat ook gaat lukken weet ik niet want voorlopig gruwt hij bij het idee alleen al….
Pas geleden kreeg ik via messenger een berichtje van een oude vriendin van mij. Ze had een rouwadvertentie gezien van ene Ruud. Of dit ‘onze’ Ruud was. Ze bedoelde een schoolgenoot van ons, een paar jaar ouder maar wel iemand met wie we regelmatig zijn omgegaan. Omdat ik geen flauw idee had, nam ik contact op met mijn eerste liefde die nog steeds contact met hem had. Een dag later kreeg ik bevestiging dat het inderdaad om onze jeugdvriend ging. Begin 50. Kreeg alvleesklierkanker met uitzaaiingen naar de lever en binnen een paar weken was het gebeurd.
Dat komt dan wel binnen. Ook al had ik de man jaren niet gezien, herinneringen te over. Vorig jaar om deze tijd hebben wij weer een tijdje contact gehad. Hij nam via Facebook contact op, wilde weten hoe het ging, van het één kwam het ander en we hebben wat heen en weer gemaild over zijn en mijn leven. Hij zat vol plannen, schreef dat hij na een paar heftige jaren door o.a. zorg voor zijn ouders eindelijk weer aan zichzelf toekwam en zin had om lekker in Parijs te struinen, daar een appartement te huren, zonder iets te moeten. Nog geen jaar later is hij dood.
Het contact verwaterde snel na de mails van vorig jaar. Kwam door mij. Ik ben niet echt in de positie om met mensen intensief een contact op te bouwen. Ik heb een heel klein kringetje van mensen om mij heen met wie ik contact heb. Meer lukt ook niet. Wie weet ooit wel weer. En ook heb ik geleerd dat het leuk is om met mensen van vroeger weer contact te hebben maar dat het vaak met een reden is dat er geen regelmatig contact meer is. Niet omdat er geen vriendschappelijke gevoelens meer zijn maar omdat de gemeenschappelijke deler die ons verbindt, is verdwenen. Je gaat verder met je leven met nieuwe contacten, ontwikkelingen, werkzaamheden, interesses, liefdes. In ons geval was de gemeenschappelijke deler onze middelbare school en de vriendschapskring rond mijn eerste vriendje. Zo kwamen wij elkaar regelmatig tegen en hadden goede gesprekken en vaak felle discussies waar ik met heel veel plezier aan terugdenk. Het was een lief, interessant, integer en vooral heel intelligent mens. Ook iemand die je zag hoe je was en niet wat je wilde zijn of hoe je je voordeed.
Zijn overlijden relativeert ook. Ik vind het vaak wat ongemakkelijk als mensen van vroeger contact met mij opnemen. Ze vertellen over reizen, werksuccessen, plannen en dat soort dingen en ik blijf het moeilijk vinden om mensen te vertellen hoe het ervoor staat in mijn leven. Niet dat ik me schaam maar ME is nu eenmaal een relatief onbekende aandoening waar veel mensen vaak wel een overduidelijke negatieve mening over hebben die me wat al te vaak in het gezicht is geslingerd. Als ze de moeite nemen, soms stopt het contact ook van de ene op de andere dag als ik zeg dat ik ME heb.
Soms heb ik ook gewoon niet zo veel te vertellen – jullie schieten nu allemaal in de lach aangezien ik hier honderden blogs hebt geschreven – maar mijn wereld is nu eenmaal vrij klein. Ik doe weinig op een dag, maak niet heel veel mee (nou ja, in mijn brein wel) en het voelt vaak alsof ik niet veel te bieden heb. Het is voor heel veel mensen niet voor te stellen dat een topdag voor mij een dag is dat ik kan douchen, koken en even naar buiten gaan. Ik leef wat dat betreft in een heel andere wereld dan mensen die gezond zijn, werken, sociale contacten hebben. Mensen van vroeger hebben een beeld van mij dat heel ver af staat van hoe ik nu ben (dat geldt natuurlijk voor iedereen, dat besef ik me). Ik ben niet meer die enorm energieke drukke dame met 1001 plannen die wel even de wereld ging redden en als dat niet lukte op zijn minst een boek ging schrijven. Contact met stemmen uit het verleden drukt me vaak met mijn neus op de feiten (en op mijn beperkingen). Ook omdat mensen hun plannen vertellen en ik me besef dat ik geen plannen meer maak.
Maar ik leef nog en hij niet. En dat is best wel cru. Was ik vorig jaar nog best jaloers op de mogelijkheden die voor hem lagen, nu niet. Want ik zit nu weliswaar met een deken om mij heen op de bank met al weer een oorontsteking, hij is er niet meer. En ben ik dankbaar voor alles wat ik heb en kan. Wat nu is, zegt niets over hoe het zal zijn. Dus geniet ik van wat kan en sta stil bij levens die plotsklaps stoppen.
Toen ik nog studeerde had ik een geweldige bijbaan. Ik kookte voor een heer van stand. Dat was hij als oud-notaris echt. Wonend aan de Reguliersgracht in Amsterdam, geboren aan de Prinsengracht en opgegroeid in een huis met dienstboden leek hij afkomstig uit een andere wereld.
Een paar jaar lang kookte ik de ene week drie keer en de andere week vier keer voor hem. Ik wisselde de dagen af met een vriendin. Het koken ging altijd door, ook met Kerst, Oud & Nieuw, jarig of niet jarig, Meneer B. moest gevoed worden. En dat deed ik graag. Koken was toen ook al mijn hobby en meneer B. werkte het met graagte naar binnen, niet gehinderd door het feit dat hij voor mijn komst in zijn 85-jarige bestaan op culinair gebied nooit verder was gekomen dan een slavink en bloemkool, vond hij alles was ik hem voorzette heerlijk.
Meneer B. was lang vrijgezel geweest, pas op zijn 50e getrouwd en had nooit kinderen gekregen. Zijn vrouw was gaan dementeren en leefde nog wel toen ik daar begon met koken, maar woonde inmiddels in een verzorgingshuis. Een man van de klok en de regelmaat. Nooit een dag ziek geweest. Hoofdpijn, hij wist niet wat het was. Elke dag om half vier thee, om half vijf een glaasje port, half zes eten, half zeven het jeugdjournaal kijken (dat vond hij leuker dan het gewone journaal) en daarna piano spelen, muziek luisteren of lezen. Twee keer in de week ging hij naar Artis en een keer per week naar het concertgebouw waar hij naar toe ging ongeacht wat er werd aangeboden.
Het was een andere wereld daar op de Reguliersgracht, één van klassieke muziek, goede gesprekken over kunst, geschiedenis en de oorlog. Hij had twee wereldoorlogen meegemaakt, was behoorlijk intelligent en belezen en interesseerde zich voor heel veel. Hij las soms gewoon voor de lol mijn studieboeken over cultuurgeschiedenis, gewoon om er met mij over te kunnen praten. Hij vormde door hoe hij was en door de regelmaat die hij bood, een scherp contrast met mijn nogal onrustige studentenbestaan. Nadat hij meerdere malen was bedonderd en bestolen door huishoudhulpen, ging ik dat naast het koken ook maar doen. Niet dat ik er echt op zat te wachten om een grachtenpand van vier verdiepingen schoon te houden maar ik wist dan tenminste dat die ruimtes die door hem gebruikt werden, schoon waren en dat zijn bed elke week werd verschoond.
Tussen ons groeide een vriendschap die heel bijzonder was. Toen ik uiteindelijk voor het echie ging werken, bleef ik bij hem komen. Het koken werd inmiddels door anderen gedaan maar ik ging nog zeker één keer per week naar hem toe. Langzaam verschoof de verhouding van kokkin/huishoudhulp tegen betaling naar ‘soort van kleindochter’ die voor hem zorgde. Toen ik op Eerste Kerstdag voor hem kookte, nadat ik eigenlijk daar niet meer werkte en het gewoon voor de gezelligheid deed, zei hij stralend dat wij nu echte vrienden waren. En dat klopte.
Meneer B. had een ‘neefje’, zoals hij het zelf zei. En daar praatte hij veel en graag over. Natuurlijk was ik enorm benieuwd naar het neefje en keek dan ook uit naar onze ontmoeting. Toen ik hem dan zag bleek het een man van eind 70 te zijn. Neef J. kwam logeren niet lang nadat ik bij meneer B. was gaan koken. Dat deed hij vaker. Vanuit het verre en suffe Steenwijk (zijn eigen woorden) kwam hij naar Amsterdam, bleef daar een paar weken bij grote neef B. en vertrok dan weer, verbijsterd over zoveel verloedering van stad en mens naar de rust van zijn eigen woonplaats.
Het neefje was 10 jaar jonger dan meneer B. en overduidelijk de jongere, een wildebras. In zijn studententijd had hij ingewoond bij meneer B. die hem wat op weg had geholpen in de wereld. Als je Meneer B. mocht geloven. J. dacht daar heel anders over, die vond dat hij B. had gered van eenzaamheid, een zinloos bestaan en oeverloze verveling. Eten met die twee was een voortdurend gekakel en geklets waarbij J. een meestal zeer opruiende stelling verkondigde, meneer B. begon te giechelen en dingen zei als ‘let maar niet op J., hij is een beetje raar‘.
Was J,.in de stad dan kon je er de donder op zeggen dat er briefjes aan de takken van de struiken in de plantsoenen en geveltuintjes werden gehangen met teksten als: ‘zorg voor mij, ik heb meer nodig dan dit‘. Als ik hem wel eens om een boodschap stuurde (dat deed hij graag) omdat ik iets vergeten was, dan kon het zomaar zijn dat de bestelde tomaten met een vertraging van drie uur kwamen omdat er tussendoor een bezoek aan de Hortus moest worden gebracht. Toetjes werden eerst gegeten en dan pas de hoofdmaaltijd. Sokken werden bij voorkeur niet bij elkaar passend gedragen. In gezelschap van vrienden van meneer B. begon J bij voorkeur over het voortplantingssysteem van slakken te praten en waar hij kans zag, vond hij het leuk om te choqueren. Op een leuke manier, hij heeft bij mijn weten nooit ruzie getrapt om het ruzie maken. Al was meneer B. vaak wel verlegen om zijn nogal uitbundige neef.
Liet meneer B. mij met rust als ik kookte, hij zat liever te lezen, J. hield mij graag gezelschap als hij er was. Voeten op tafel en praten maar. Op een dag vertelde hij eigenlijk schrijver te zijn. Hij wás weliswaar een predikant in ruste (en dat voor zo’n rebelse geest) maar hij voelde zich schrijver. Zat alleen wat vast in de uitvoering. ‘Zal ik u af en toe schrijfopdrachten geven’ stelde ik voor. Nou, gelukkiger had ik hem niet kunnen maken. Maar ik mocht het hem niet te makkelijk maken – zo verzocht hij uitdrukkelijk – en de opdrachten moesten per post worden verstrekt.
Dus stuurde ik een kaart naar hem toe. ‘Graag een verhaal over een slang op sterk water’. Drie weken later – hij was inmiddels al lang weer vertrokken naar Steenwijk – lag er een envelop in de bus met tien hele dunne vellen papier – bijna vloeipapier – ,getypt op een typemachine waarvan de G het overduidelijk niet deed, die was overal met de hand ingevuld.
Dat hielden we een paar jaar vol. Ik gaf de meeste krankzinnige opdrachten en hij schreef de meest krankzinnige verhalen. Echt schrijftalent had hij niet, maar we vermaakten ons er enorm mee en we hadden bij elk nieuw bezoek van hem aan Meneer B. stof tot uren praten.
Laatst vond ik de map met zijn verhalen, ik heb ze altijd bewaard. J. is al jaren geleden gaan hemelen, Meneer B. ook maar ik denk nog heel vaak aan ze, die twee oude mannen, giechelend om elkaar aan tafel. De een net zo flamboyant als de ander behouden was, tegenpolen in alles maar wel heel erg verknocht aan elkaar. En ik mis ze nog steeds.