Dibbesdingen

Als we het partijtje van Sem vieren, maak ik me vooraf zorgen over Dibbes. Gaat dat wel goed? Rent hij niet in paniek het huis uit als er een meute jongens van 12 het huis komt binnenvallen? Ik maak me druk om niets, blijkt later. Ik heb nog altijd het beeld van de kwetsbare schuwe zwerfkat op mijn netvlies en zie daardoor de werkelijkheid niet altijd even goed.

De realiteit is dat hij nieuwsgierig de jongens tegemoet loopt. Als ze hem niet zien, dan zorgt hij er wel voor dat hij gezien wordt, werpt zich voor een voet en biedt zijn buik aan. Geeft kopjes tegen benen. Is zeer aanwezig. Trek zich weinig tot niets aan van herrie. Alleen onverwachte bewegingen zijn niet prettig, maar hee, even aaien en hij is het zo weer vergeten.

Dibbes heeft niets nodig in het leven, buiten ons en zijn eten en dat laat hij merken. Zijn wereld is heel klein geworden. Liep hij vroeger de hele dag zijn eten bij elkaar te scharrelen, nu komt hij tot het tuinhek. Heel soms loopt hij verder, wandelt door de steeg, gaat de hoek om en zit dan voor de voordeur. Als hij ziet dat ik hem zie door het raam, dan begint hij onbedaarlijk te miauwen. Laat me erin! Nu! Belangrijk! Binnengekomen volgt een ritueel van op tafel springen, rollen, buik aanbieden en neusjes geven. Dan probeert hij me naar de keuken te lokken, wellicht ben ik vergeten dat hij net nog eten kreeg. Je kunt het altijd proberen toch?

Toen we een paar dagen weg gingen, had ik bijna buikpijn van de zorgen. De door mij ingeschakelde kattenoppas had hij weliswaar al vaker gezien maar toch. Hoe zou hij reageren? De andere katten weten van de hoed en de rand en schakelen zodra wij weg zijn over op de ‘het is weer zover modus’. Dat betekent kopjes geven aan ‘die ander’, zodat de bakken netjes gevuld worden en blijven. Dibbes kende het fenomeen weekendje weg of vakantie nog niet. Ook hier bleek dat hij veel relaxter is dan ik dacht. Hij vond het allemaal prima, al was hij bij thuiskomt wel erg jaloers naar de anderen toe. Die kwamen ook extra knuffels halen en dat trok hij bijna niet.

Dat hij vooruit gaat, is te merken aan zijn gedrag naar mij toe. Waar hij me eerst continu achtervolgde en belaagde, wordt dat minder. Eerst durfde hij alleen op bed te springen langs mijn kant. Dan knuffelde hij mij langdurig en zeer zorgvuldig, met zijn neus tegen mijn neus, om zich vervolgens uitgebreid te poetsen. Pas als die boeddhabuik echt drie keer schoon gelikt was, ging hij liggen en slapen. Nu springt hij vanaf alle kanten op bed. Soms krijg ik voor de vorm nog even een kopje tegen mijn neus, maar nog vaker gaat hij meteen liggen. Het was wél even wennen na al die maanden op een voetstuk te zijn geplaatst door deze kat maar het is natuurlijk een zeer gezonde ontwikkeling dat hij nu meer zijn eigen gang gaat.

Zoals Vlasje laatst omschreef:
de mooiste bloem in de tuin

Hoewel hij grote sprongen maakt, moet hij nog veel leren. Alles wat onverwacht is, maakt hem gestrest. Wij wonen aan een park. Sinds twee weken wordt er aan de weg gewerkt die langs het park loopt. Om 7 uur in de ochtend beginnen grote machines te brullen en te graven. De eerste paar dagen was Dibbes helemaal geflipt. En elke beweging van ons, maakte ineens weer dat hij een meter de lucht in sprong. Hij had pupillen waar een junk nog een puntje aan kan zuigen. Maar na een paar dagen zakte de stress en had hij weer wat geleerd: ‘harde continu geluiden zijn niet eng en ik krijg nog steeds eten en knuffels….’

Zijn ogen staan door de operatie wat eigenaardig. Mooi zeegroen zijn ze maar de ooghoeken staan wat vreemd en trekken een beetje. Hij ziet er wat verdrietig uit door die rare stand van zijn ogen en dat past helemaal niet bij zijn uitbundige karakter. Zijn vacht glanst en hij is zeer gesteld op het onderhoud ervan. Poetsen is echt een hobby, iets wat ik hem nooit zag doen toen hij nog een zwerver was, geen tijd voor. Ook zag ik hem niet rollen, spelen, achter vliegjes aan huppelen of contact hebben met anderen. Ik hoorde hem nooit miauwen, nu kletst hij de oren van mijn kop. Er is zoveel veranderd. Het leven is goed voor Dibbes en het leven met hem is top.

Succes

Al zo lang als ik me kan herinneren, wil ik trots zijn op mezelf. Dat is natuurlijk voer voor psychologen. Ik kreeg te véél aandacht, te weinig aandacht, de verkeerde aandacht, vul maar in. Ik zal best onzeker zijn en dat willen compenseren door perfectionisme. Maar de helft van de tijd is het streven naar succes volgens mij ook gewoon een ingesleten patroon, waar ik overigens héél hard van af probeer te komen want veel leverde het tot nu toe niet op, een overprikkeld zenuwstelsel niet mee gerekend.

Met verbazing kijk ik soms naar mezelf. Als ik ergens ga werken, dan wil ik degene zijn die de minste fouten maakt, het beste van de afdeling is. Als ik ziek ben, wil ik degene zijn die het beste herstelt, ook al is het een aandoening waar maar 7 % van herstelt. Hoe dan ook, ik ga bij die 7 % horen! Start ik een blog en zie ik dat de bezoekersaantallen stijgen, dan wil ik per se dat de aantallen blijven stijgen. En een blog is dan natuurlijk niet voldoende. Een boek! Ik moet een boek schrijven! Liefst een boek dat goed verkoopt.

Al het mediteren en ademhalingsoefeningen ten spijt, dat streefgedoe van mij levert stress op. Nu was er natuurlijk eerst het streven, toen de stress en toen pas het mediteren. Bijna als mosterd na de maaltijd. Maar de stress verdwijnt niet alleen omdat je het wilt, ook niet na veel mediteren, want gedrag verandert niet meteen.

Toch lukt het wel. Heel langzaam ontdek ik dat ik niet ben wat ik doe, maar dat ik ben omdat ik euh, nou ja, ademhaal. Ik ben die ogen die me aankijken in de spiegel. Het probleem met het gevoel nooit goed genoeg te zijn, is dat ik weet wat de intenties zijn van die vrouw in de spiegel. Een ander kijkt veel platter naar mij. Die denkt: daar ligt die vrouw op de bank die stukjes schrijft. Ze zien wat ik doe. Wat ze niet zien is alle bagage, dromen, intenties en verlangens die ik wél (de hele tijd) voel. Die berg shit is soms zó hoog en zó zwaar dat het geen wonder is dat ik soms bijna niet van de bank af kan komen.

Het enige dat mij tot nu toe redelijk moeiteloos afgaat is moeder zijn (even afkloppen natuurlijk want we staan aan de rand van de puberteit). Ik ben niet de leukste, beste en zeker niet de meest energieke moeder. Maar ik voel vreemd genoeg geen of weinig stress over mijn eigen functioneren. Natuurlijk twijfel ook ik regelmatig of ik de opvoeding wel goed aanpak maar over het algemeen geniet ik er gewoon van. Ik geniet enorm van mijn kind en ik geniet van het moeder zijn.

Laat het moeder zijn nou toevallig het enige in mijn leven zijn waar ik vooraf geen beeld bij had. Al zo lang als ik me kan herinneren, hoorden kinderen niet bij het plaatje van mezelf ‘als ik later groter zou zijn’ wat ik voor ogen had. Ik zag mezelf niet als moeder en was ook helemaal niet van plan moeder te worden. Ik heb dus jaren in mijn dagdromen en fantasieën mijn toekomst ingevuld zonder gedachte aan een kind.

Dat ik tóch moeder ben geworden is werkelijk waar de grootste verrassing van mijn leven. En omdat ik daar vooraf helemaal geen plaatje of beeld bij had, ben ik maar als het ware meegedreven met wat er gebeurde. En dan bedoel ik niet passief gedobber – S. was geen moetje en juist zeer gewenst na een voor mij volkomen uit de lucht vallende behoefte om toch moeder te worden – maar gewoon mee gaan met de stroom zonder te denken dat ik eigenlijk 20 meter verderop moet zijn of dat ik per abuis in het verkeerde water zwem. Ik ben eindelijk eens bezig met wat ‘is’ en niet met hoe het zou moeten zijn. En dat kan ik best wel een groot succes noemen. Mijn grootste succes is dat waarvan ik niet wist dat het er zou zijn.

Het leert me dat verwachtingen een grote belemmering kunnen zijn en dat het echte leven hier en nu is. En dat succes misschien wel het loslaten van het streven naar succes is. Althans mijn succes. Misschien is dat voor een ander niet het geval. Misschien heb jij juist wel een duwtje in de rug nodig.

Wat belemmert jou? Ben jij ook een perfectionist?

De envelop met het blauwe logo

Op de deurmat lag een brief, met een bekend blauw logo. Elke ‘uitkeringstrekker’ weet waar ik het over heb, het logo van het UUUWWWVVV. Altijd als ik dat logo zie maakt mijn hart een salto. Niet van vreugde maar van angst.

Ik wil wel werken maar kan het (nog) niet. En altijd heb ik angst dat deze instantie mij sommeert te gaan werken op een moment dat ik dat nog niet kan. Mijn arbeidsethos heeft mij eerder in de problemen gebracht. Ooit meldde ik me ziek – ik bleek ME te hebben maar wist dat nog niet – en ben na een aantal maanden weer gaan werken omdat het moest van de bedrijfsarts. Een paar maanden forceerde ik mezelf, tot ik op een dag zo zat te schudden in de trein dat ik me weer heb omgedraaid. Met mijn poging netjes te doen wat me werd verteld, heb ik een verergering van mijn toestand veroorzaakt die voorkomen had kunnen worden als ik steviger in mijn schoenen had gestaan. En als iemand wat eerder had herkend wat er met mij aan de hand was.

Het gekeurd worden om afgekeurd te worden zodat ik een W.IA-uitkering kreeg, is werkelijk waar één van de dieptepunten in mijn leven geweest. Het niet kunnen werken heeft bij mij toen tot een enorm schaamtegevoel geleid en het hebben van ‘zo’n vage aandoening als ME’, versterkte dit alleen maar. Hoe kan je uitleggen aan de arts die tegenover je zit, dat 30 keer boven je hoofd reiken in 1 uur niet lukt en dat één keer door je knieën zakken misschien wel lukt maar dat je dan niet meer overeind komt. Hoe kun je begrip en inlevingsvermogen verwachten van iemand die jou maar 1 uur ziet en die continu te maken heeft met mensen die zwak, ziek en misselijk zijn? Hoeveel sympathie kan iemand dan nog opbrengen, want is afstompen niet normaal in zo’n omgeving? En wat als die arts een rotdag heeft? Of last van PMS? Of moet voldoen aan normen zoals 60 % afkeuren en 40 % goedkeuren?

Aan de buitenkant zie je niets aan mij. Sterker nog, ik kan heel leuk praten en maak makkelijk een goede eerste indruk. Dat ik na de gesprekken met het UUWWVV een terugslag van weken had, kunnen ze daar niet weten natuurlijk. Ik heb het ze wel verteld dat het zou gaan gebeuren, maar of ze dat geloven is natuurlijk een tweede. Veel mensen begrijpen niet dat je moe wordt van praten alleen. Toen ik vorig jaar een uitnodiging om te gaan eten met wat oud-klasgenoten afsloeg, bood iemand aan me te halen en te brengen, echt super. Alleen ook dan gaat het niet. Waarop hij zei dat niet te begrijpen, ‘we gaan niet sporten of om de tafels rennen hoor, gewoon even een hapje eten’. Nee, hij gaat een hapje eten en voor mij zou het zijn alsof ik een marathon loop, want zó werkt mijn lijf. De meeste uitjes moeten worden gepland, het kost me in het goede geval dagen, maar als ik pech heb weken, aan hersteltijd. Dus maak ik zorgvuldige keuzes. Even ‘zomaar een hapje eten’ bestaat niet in mijn wereld.

Overigens begrijp ik inmiddels volkomen dat hij me niet begreep want zelf was ik vroeger ook niet zo begripvol. Voorstellingsvermogen komt vaak uit een kader en als dat kader vooral gezond en actief is, dan is het niet vreemd als je niet kunt voorstellen wat het betekent om ziek te zijn. Met uitzondering van mensen die vol inlevingsvermogen worden geboren, want die zijn er ook (tjee wat dwaal ik af!).

Terug naar die envelop op de deurmat. De angst is enorm. Het gevoel beoordeeld te worden en het besef dat de uitslag vaak buiten je macht ligt, hakt er in. En dat terwijl ik tot nu toe altijd goede ervaringen heb met het UUUWWWVVV. De arts was weliswaar niet aardig (maar dat hoeft niet, als ze maar competent is natuurlijk) maar begreep wel de aard van mijn aandoening. De arbeidsdeskundige was wél heel aardig en zei letterlijk dat hij niet met droge ogen kon beweren dat ik aan het werk moest gaan. De keren na de keuring dat ik ben gebeld om te informeren hoe het ervoor staat, trof ik alleen maar hele aardige meneren die me het gevoel gaven dat ik gehoord werd. En dan toch die angst voor die envelop met dat blauwe logo.

Trillend maakte ik hem open. Het was een overzicht van het vakantiegeld dat deze maand wordt overgemaakt. En bovendien was het nog een flinke meevaller ook, € 100 meer dan vorig jaar! Pffieuw, nu weer verder gaan met mijn dagelijkse leven.

Ooit stuur ik het UUUWWWVVV een brief in een envelop met een mooi zonnig logo dat vrolijkheid en geen angst opwekt, waarin ik schrijf dat ik weer uit werken ga, maar dan om geld te verdienen. Lijkt me heerlijk, een leuke inspirerende baan, met goed afgebakende uren en grenzen met vakanties en vrije dagen. Ik ben nu namelijk nooit vrij, ziek zijn gaat 24 uur per dag door. Ik werk nu ook mensen en wel heel hard. Ik werk aan mijn herstel.

‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’

Nu ik enige tijd op Facebook zit, gebeurt er iets wonderlijks. Ik ga steeds verder terug in de tijd. Werd ik eerst vrienden met mensen uit mijn dagelijkse omgeving – mijn vaste trouwe kern – toen waren de ex-collega’s aan de beurt, oud-klasgenoten van de middelbare school kwamen voorbij en de laatste tijd ‘zit’ ik ineens weer helemaal in mijn klas van de lagere school.

Ik kreeg een uitnodiging van ene Jacqueline, via haar kwam ik bij Lars en Jacques terecht, Sonja ontdekte mij en al snel leek het wel een virus, zó snel breidde het zich uit. We bogen ons over de namen van dat ‘jochie in die lichtblauwe trui op de tweede rij naast Kees’ en ‘dat meisje naast Jeannine’. Sommige namen blijken zich maar slecht verstopt te hebben in mijn brein en komen makkelijk naar boven drijven. Een aantal namen echter is volledig opgeslokt door mijn brein en wordt niet meer prijsgegeven. Als anderen wél de bewuste namen weten op te lepelen, gebeurt er niets in mij, geen één teken van herkenning. Iets wat mij een gevoel van schaamte oplevert.

Sommige kinderen lieten schijnbaar niets achter in mij, anderen wel. Sommige kinderen waren toen mijn beste vriend(in) en nu kan ik me nog nauwelijks herinneren waarom dat was. Anderen – waar ik toen nauwelijks mee speelde omdat er geen klik was – blijken nu bezig met zaken die ikzelf óók belangrijk ben gaan vinden. Die verlegen stille en slimme jongen uit de klas blijkt een enorme leuke sociale vent te zijn geworden voor wie het achterlaten van de lagere schooltijd blijkbaar een enorme bevrijding was. De dromer uit de klas – die we altijd de bioloog noemden, blijkt grappig genoeg echt bioloog te zijn geworden en werkt in Artis. Degene die het hoofd altijd zo koel hield, is nu rechter en dat wekt bij mij geen enkele verbazing. Veel zijn blijven wonen in ons dorp of vlak eromheen, anderen zijn tot in Bangkok terecht gekomen.

We hebben allemaal beelden in ons hoofd van ‘de ander’ en dat belemmert vaak dat we de ander zien zoals hij is. Misschien belemmert het de ander ook wel te worden wie hij wil zijn. Eind september is er een reünie. Het uitgangspunt is een foto uit de eerste klas. We zoeken elkaar op en leggen contacten. Ik vind het leuk maar ook eng. Ook weet ik niet of naar een reünie gaan voor mij wel haalbaar is, fysiek en qua prikkelverwerking. Dat zie ik dan wel weer, september is nog ver weg.

Ik moet nu vaak denken aan de Up-documentaires van regisseur Michael Apte, kennen jullie deze serie? Uitgangspunt in deze documentaire reeks is de spreuk ‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’. Met andere woorden: al op de leeftijd van 7 jaar openbaart zich hoe het leven van een kind eruit gaat zien. Althans, in deze serie wordt onderzocht of bestemming en persoonlijkheid al bij de geboorte vastliggen.  Uit verschillende sociale lagen van de Britse samenleving werden 14 kinderen geselecteerd en gevolgd vanaf 1963, toen ze allen 7 waren. Elke 7 jaar werden ze geïnterviewd over hun leven. Er zijn dus afleveringen 7-up, 14-up, 21-up en zo verder. Inmiddels waren ze 56 jaar in de aflevering uit 2012 (die ik niet heb gezien realiseer ik me).

Wat waren mijn dromen toen ik 7 was? Wat vond ik belangrijk? En wat is daar nu nog van terug te vinden in mij? En bij de anderen? Wat zien de anderen als ze mij straks zien? Op mijn 7e was mijn droom toch zeker niet ME-patiënt worden met een WIA-uitkering. Toch ben ik gelukkig met mijn leven van nu, ook al is het niet het leven dat ik koos. Ik heb geleerd dat het leven niet maakbaar is, maar dat je ervaringen wél maakbaar zijn. Hoe zit dat bij mijn oud-klasgenoten? Lukt het me dat te ontdekken? Wat laten we straks aan elkaar zien?Is de uitspraak ‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’ op jou van toepassing?

Aanvulling na wat nadenken: Als kind was ik dol op lezen en schrijven en dus deed ik dat, veel, heel veel. Ik las me een ongeluk. Elke week naar de bieb om 7 boeken te halen, daarmee kwam ik net de week door. En als het einde van een boek me niet beviel, dan herschreef ik het, net zo tot het me wel beviel En ik verzon zelf verhalen. Schrijven en lezen wou ik als kind. Eigenlijk is er weinig veranderd bedenk ik me…

Kapper

Toen mijn moeder 16 was, ging ze uit werken. Ze kwam terecht in de kapsalon van meneer en mevrouw De Jong, in Haarlem. Eerst mocht ze haren wassen, later werd ze opgeleid voor het echte werk, wassen, knippen en watergolven, want dat had je toen nog. Mijn moeder is qua lengte best klein en ze moest op een kistje moest staan om bij het haar van de mevrouwen te kunnen. Het woord kinderarbeid werd niet genoemd, zo ging dat in die tijd.

Na haar trouwen stopte mijn moeder met werken. Ook dat ging zo in die tijd. Maar contact bleef ze altijd houden met meneer en mevrouw De Jong. Meneer heb ik nooit gekend – die ging al snel hemelen – maar mevrouw kan ik me nog levendig herinneren. Eens in de zoveel tijd werden mijn zus en ik gesommeerd in te stappen in de ouderlijke lelijke eend voor een wereldreis. ‘Uren’ waren we onderweg en de bestemming was een klein propvol huisje onderaan een dijk. Pas onlangs kwam ik erachter dat dit huis in Schagen lag, niet zover van mijn huidige woonplaats. Vanaf de woonplaats waar ik als kind woonde was het hooguit een uurtje rijden, maar het voelde als rijden naar een andere wereld.

Want een andere wereld was het, daar bij mevrouw De Jong. Ze was een beetje eng. Ze praatte met een sterk Duits accent, noemde ons schatje – terwijl we haar nauwelijks kenden – , ze rook vreemd en ze had van die vlechten op haar hoofd. Er was bovendien héél véél mevrouw De Jong, ze was net zo breed als dat ze hoog was en ze droeg huisschorten, dat kende ik ook al niet. Allemaal zaken die – zo bekeken door de ogen van een klein kind – een enorme indruk achter lieten. Eng dus, maar toch ook wel heel fascinerend. Dat gaat vaak samen vinden jullie niet?

Na het zitten en vragen beantwoorden in dat overvolle huisje mochten mijn zus en ik naar buiten. Rennen op de dijk met de hond van mevrouw De Jong, bij de kippen kijken of zomaar in het gras liggen. Ik genoot altijd volop. Na een dag (of wellicht een uurtje) gingen we weer weg. Voor het weggegaan werden we volgestopt met snoep en kregen we elk een rijksdaalder in onze handen gestopt. Voor ons in de vroege jaren ’70 een ongekend hoog bedrag om te ontvangen van iemand die niet je opa of oma was. Sterker nog, van iemand die je nauwelijks kende.

De bezoekjes namen af toen wij gingen puberen en mijn ouders gevangen zaten in hun eigen leven. Mijn vader was te ziek om nog ergens heen te rijden, mijn moeder durfde nergens heen te rijden en mevrouw De Jong was te dik om in een auto te passen. Maar contact was er wel. Eens per jaar werd er flink telefonisch bijgepraat en konden we via mijn moeder op afstand volgen hoe mevrouw De Jong haar huisje in Schagen verruilde voor een flat in de Bijlmer en hoe ze werd kaalgeplukt door één van haar zoons.

Nou wil het toeval dat ik onlangs naar de kapper ben geweest. En zo hee, wat heeft die mijn haar verknipt. Links was het veel langer dan rechts, sterker nog, toen ik thuiskwam stak er een lange pluk uit, die echt zeker 10 cm langer was, vergeten. Want de kapster had het héél druk, eerst met praten en toen met schrikken omdat de volgende klant al op haar zat te wachten. Razendsnel raffelde ze de knipbeurt af. Zó zat ik in de stoel en zó stond ik buiten, beduusd van de snelheid waarmee één en ander afgehandeld was. Echt een heel leuk en enthousiast mens die kapster, maar wel één die niet kan knippen. Normaal ga ik naar een andere dame in dezelfde zaak, de reden dat ik dat nu niet deed was een combinatie van trouweloosheid en toe zijn aan iets anders van mijn kant en mijn eigen kapster die een tijdje weg was geweest om te bevallen en dus even minder op mijn netvlies stond.

Verknipt en verknald dus en dat voor een ongehoord hoog bedrag. Nou zit mijn haar eigenlijk altijd wel, ik heb veel en dik haar met een slag, maar het kon niet tegen het prutswerk op. Na 3 weken mokken en föhnen en gedoe met haargel, belde ik mijn moeder. En die kwam me redden. Laken, schaar en haarspelden mee. Ze hoeft niet meer op een kistje te staan, maar knippen kan ze nog steeds. Dat heeft ze wel geleerd van meneer en mevrouw De Jong. Bovendien heeft ze maar één woord van mij nodig om te begrijpen wat ik bedoel, zo gaat dat met moeders….

Natuurlijk had ik terug moeten gaan naar de kapper. Maar dat kon niet meteen na de (ver)knipbeurt, ik moest naar huis want S. was zijn sleutel kwijtgeraakt (zucht) en zou voor de deur staan. Later kwam het er niet meer van. Ik ben natuurlijk ook gewoon een lafaard want ik vind klagen vervelend.

Zou jij wel zijn terug gegaan naar de kapper?

Dibbesdingen

Het onweert buiten en Dibbes is nog niet binnen. Het vermoeden dat dit weertype angst opwekt, klopt volledig. Als we de deur opendoen en hem roepen, rent hij helemaal in paniek naar binnen. Zó gestrest dat hij in een slip op de laminaatvloer terecht komt en uiteindelijk plat op zijn buik eindigt, met zijn voorpoten gespreid, nagels uit alsof hij houvast zoekt.

We lokken hem mee naar boven en daar, op bed liggend met de gordijnen dicht, is het leven weer een stuk aangenamer voor onze ex-zwerver. Bij hele grote dondergeluiden kijkt hij nog wel angstig op, maar het zien van kat Smoes in een slaapcoma en niet op- of omkijkend, stelt Dibbes gerust. Het dondert en knalt maar blijkbaar is dat niet erg want Smoes slaapt er doorheen.

Elke keer ontroert zijn gedrag me diep. Vroeger, als in een jaar geleden, zat hij nog onder een struik met dit weer. Ik kan me geen voorstelling maken van de verschrikkingen die dat in zijn brein heeft achtergelaten. Wat ik nu dagelijks zie is een gezonde, meestal gelukkige, kat met wat scherpe randjes die beginnen te rafelen.

Regelmatig rukt hij de haren uit zijn lijf op een plek, tot het bloed letterlijk uit de wond druipt. Geen grote plekken maar ze zijn er wel. Met zachte hand hem beletten nog meer ravage aan te richten, helpt wel. Het is een kat die zich goed en snel laat bijsturen. Maar die wond zit er telkens voordat we het in de gaten hebben.

Bezoek wordt altijd begroet, hij is erg nieuwsgierig maar mensen moeten niet te snel amicaal worden. Zomaar even aaien is er niet bij. Alhoewel het natuurlijk wel helpt als ze hem lekkere brokjes of kattenstaafjes geven, dan is hij bereid iets sneller over zijn terughoudendheid heen te stappen.

Een paar keer per dag gaat hij onder de salontafel klaarliggen. Klaar om te spelen, vol verwachting. Nog nooit een kat zo fel zien spelen. En zo graag zien spelen. Terwijl hij in het begin helemaal niet begreep wat de bedoeling was. De eerste keer dat we met een touw voor zijn neus zwaaiden, rende hij keihard naar boven. Langzaam kreeg hij door wat de bedoeling is van spelen. Touwtje pakken en dan wegrennen, toch? Hij weer naar boven en wij maar beneden wachten, maar hij dacht dus dat het spel al klaar was. Nu begrijpt hij het inmiddels en ligt regelmatig klaar onder tafel om te spelen. Proppen papier worden besprongen en uit elkaar gerukt. Hij heeft het duidelijk helemaal door.

Hoe hij op straat heeft overleefd is ons een raadsel. Hij is enorm onhandig en blinkt uit in klonterigheid. Hij komt niet goed voor zichzelf op en heeft niets van het sluwe en vechterige wat je bij veel straatkatten ziet. Deze kat is duidelijk de laagste in de rangorde geweest en zelfs de vogels zien hem niet als bedreiging. Als de buurkat het huis binnenloopt, verontrust hem dat diep. Maar hij durft hem niet te verjagen. In plaats daarvan komt hij bij ons mopperen. Als we optreden en het beest wegsturen, krijgt hij wel wat moed en duwt met zijn poot nog even op de kont van de ongewenste indringer, weg jij!

Ondanks dat het dus een sukkel is wist hij toch zijn situatie aanzienlijk te verbeteren door zijn grootste angst – vertrouwen geven – te overwinnen. Zo is hij in een jaar tijd van een schuwe uitgehongerde zwerfkat met een ernstige oogaandoening veranderd in een goed doorvoede blije aanhankelijke knuffelaar. Zijn leven vertoont een stijgende lijn. Dat voelt hij en dat zien wij. Het leven is nu goed voor Dibbes. En het leven met Dibbes is top.

Vragen en antwoorden

We liggen in bed
voor de ochtendknuffel
mijn kind en ik.
We kletsen wat.
Dat doen we altijd.
Elke ochtend
en elke avond.
‘Wat ga je doen?
Hoe was je dag?
Wat was leuk
en wat was stom?’.
Alle grote en kleine dingen
worden besproken in bed.
Zo doen wij dat.

Al weken lig ik veel plat.
Dus na die ochtendknuffel
en het uitzwaaien naar school
duik ik vaak weer in bed.
In de namiddag
lig ik vaak op de bank
en na het avondeten ook.
Dat ziet mijn kind.

‘Ben je nu weer ziek?’
vroeg S. mij
tijdens de ochtendknuffel.

Ben ik nu weer ziek?
Tja.
Was ik een tijd niet ziek
en nu weer wel?
Was het een tijd minder
en nu weer meer?
Ik weet het niet.

Dus zeg ik dat.
‘Ik weet het niet,
maar het maakt niet uit.’
Dat is voldoende antwoord
voor hem.
Is het ook voldoende voor mij?

Ziek of niet ziek.
Moet ik het weten?
Wat voegt het weten toe?
Liever denk ik niet na,
over ziek zijn
en niet ziek zijn.
Liever klets ik
en knuffel ik
met mijn kind
en probeer hem
te laten zien
dat ziek of niet ziek
geen grote kwestie
hoeft te zijn.

Ik verdom het
om het ziekzijn
of het niet ziekzijn
als een wolk
of een zon
boven mijn hoofd
te laten hangen.

Vroeger dacht ik
dat antwoorden nodig waren
om door te kunnen gaan.
Nu weet ik dat
het niet om het antwoord gaat
maar om het besef
dat de vraag op
veel manieren
kan worden gesteld
en dat een antwoord
als een blok beton
aan je been kan hangen.

Dus lig ik plat.
Ik leef in het hier en nu
en ben blij
dat mijn bed
zo lekker ligt.

Dus loop ik op straat.
Ik leef in het hier en nu
en ben blij
dat ik altijd
weer verder kan gaan
waar ik was gebleven.

 

 

Zaterdag

Afgelopen zondag vierden we de twaalfde verjaardag van S. Het was zo’n dag dat alles klopte. Het was schitterend weer en we konden tot ver in de middag in de tuin zitten. S. vermaakte zich geweldig, ik had dit jaar voor het eerst ook wat vriendjes van hem en hun ouders uitgenodigd, in plaats van alleen familie en vrienden van de familie.

In tegenstelling tot andere jaren kon ik zelf ook echt genieten. Ik maakte me niet druk over wat het vieren van die dag met me zou doen maar genoot gewoon. Ik beperkte de voorbereidingen tot een minumum (opdracht geven om lekkere taarten te kopen, zelf wat stokbrood en kaas inslaan) en liet het gewoon maar over me heen komen. En dat maakte veel verschil. In voorgaande jaren genereerde alleen al het denken aan het vieren van de verjaardag zo veel drukte in mijn hoofd, dat ik op de dag zelf al uitgeteld was. De wetenschap dat ik een flink terugslag kan verwachten deed me vooraf al in de kramp schieten. Natuurlijk was ik na deze dag flink moe, maar het maakte niet uit, het was het meer dan waard. Ik heb de hele week rustig aan gedaan en ben er bijna weer. Dit is echt het effect van de behandeling die ik heb gevolgd: ik maak me niet meer druk om straks en toen, ik ben bezig met vandaag. En dat levert minder energieverspilling op.

De grote verrassing van de dag was Dibbes, of liever gezegd hoe hij zich gedroeg. Van te voren dachten we dat hij best zou schrikken van zoveel mensen en we hadden verwacht dat hij zich de hele dag niet zou laten zien. Daarom moesten we ook even flink omschakelen toen bleek dat hij zich totaal anders gedroeg dan de verwachtingen. Hij bleef continu in de buurt, eerst op een klein afstandje alles observerend. Daarna was het tijd voor de volgende stap, een rondje langs al die gezichten maken en kijken hoe dat uitpakt. Om uiteindelijk een showtje weg te geven en te laten zien hoe leuk hij kan spelen (achter een speelgoedmuis aanrennen die weggegooid wordt en dan ineens met de voorpoten remmen zodat het achterwerk de lucht ingaat) en op het kleed liggen rollen om zijn mooie buik te laten zien. Hij gaf kopjes, liet zich aanhalen en regelmatig hoorde ik oh en ah en dat was niet omdat ik zulke grappige dingen deed.

Onze Dibbes is niet langer een getraumatiseerde zwerfkat maar een enorm sociaal beest dat geniet van contact en het vermogen heeft fijne ervaringen razendsnel op te slaan. Een geweldige prestatie van de kat al zeg ik het zelf. Het verschil met een jaar geleden is onvoorstelbaar groot en het genoegen van deze verandering smaakt geweldig.

Fijn weekend allemaal!

Ik en ik en ik…

Ik ben mijn eigen kind.
Als ik val,
help ik mezelf overeind
en leg uit
waar het mis ging.
Ik vertel over gevaren
en wat pijn doet,
in de hoop
dat ik er wat van leer.

Ik ben mijn eigen leraar.
Ik lever mijn werk in
en krijg het terug
met rode strepen.
Zo zie ik
wat de aandachtspunten zijn.

Ik ben mijn eigen vriendin.
Heb ik een moeilijk moment,
dan ben ik mezelf
tot luisterend oor,
veer mee en veroordeel niet.

Ik ben mijn eigen criticus.
Altijd weer
leg ik die vinger
op dat ene rotte plekje.

Ik ben mijn eigen fan
en juich keihard over
elke vooruitgang.
Verliespunten veeg ik
onder de mat.
Maar ik laat mezelf
niet in de steek,
een echte fan
in voor- en tegenspoed.

Ik ben mijn eigen verkoper,
prijs aan wat ik kan
en verdoezel wat minder gaat.
Zo maak ik
mijn eigen wereld
wat mooier dan ie is.
Daar kikker ik
eigenlijk best van op.

Ik ben mijn eigen wereld,
voed me met alles
wat er in me leeft
en verbaas me elke keer weer
over de enorme rijkdom
die ik in mezelf aantref.
Die zag ik nooit,
omdat ik nooit keek.

Niet langer ben ik ME-patiënt,
ik promoveerde tot fulltime allrounder,
met uitstekende vooruitzichten
en fijne perspectieven,
vooral omdat ik van mezelf
niets meer moet… 

Zaterdag

Met heel weinig energie in de voorraad, word ik razendsnel op een herhaalcursus gestuurd hoe daarmee om te gaan. Zo weet ik weer dat

  • energie voor geld gaat
  • voorgesneden groente handig zijn
  • glutenvrij afbakbrood een prima alternatief is als de energie om een gezonde lunchsoep te maken ontbreekt
  • de verjaarsvisite van komende zondag (S. was maandag jarig) gekochte taart vast ook lekker vindt
  • diezelfde visite vast ook Turks brood met kaas en gekochte smeersels zonder morren naar binnen werkt in plaats van de verse zelfgemaakte lekkernijen waar ik ze normaal op trakteer
De keuzes die ik maakte deze week waren gericht op bewegen. Eerst bewegen, dan de rest. Op maandag, dinsdag en woensdag liep ik een half uur. En kon verder niet veel meer doen. Op donderdag sleepte ik mezelf uit bed en ging beneden op de bank liggen. Het plan om 6 dagen in de week te wandelen is te hoog gegrepen. Ik ben ook toch slechter dan ik dacht. Bovendien ben ik weer in een oude valkuil getrapt: een mooi plan maken van 6 dagen in de week wandelen werkt niet als het lijf een eigen agenda en behoeften heeft. Dus eerst voelen of bewegen kan, dan pas bewegen en vooral ook rustdagen inbouwen.
De grote winst ten opzichte van vorige jaren is het uitblijven van angst. Tot nu toe wekte een terugval flinke angst bij mij op. Een ander pluspunt is dat ik geen energie verspil aan analyseren hoe het zo kwam maar zo snel mogelijk schakel naar dat wat kan. Ik heb de knop hoe-kom-ik-hier-zo-prettig-en-makkelijk-mogelijk-doorheen razendsnel gevonden dit keer.Nu nog leren realistische doelen te stellen. Ik ben kampioen plannen maken. Dat haalt me elke keer weer uit het dal maar nekt me ook. Toch heb ik ook nu weer een doel voor ogen. Begin mei gaan we een weekendje naar Rotterdam, dat moet wel kunnen natuurlijk. En in augustus gaan we naar de Auvergne. Was het doel vorig jaar om naar een waterval te lopen (gelukt met een beetje duw- en rekwerk van M. en S.), dit jaar heb ik mijn zinnen gezet op wandelen in het vulkanengebied. Toen we vorig jaar bovenop een berg stonden (daarnaar toe gegaan met een trein) zag ik om ons heen een vulkaanlandschap met allemaal wandelpaden. Er was weinig hoogteverschil, het was gewoon een grote hoogvlakte met wandelpaden. Een adembenemend landschap om te wandelen! Dat is mijn doel van deze zomer.

Dus koop ik afbakbrood en visualiseer dat wandelpad.
Dus laat ik M. vlaai kopen en denk aan die wandeling.
Dus laat ik de boel de boel en zie mezelf daar lopen.
Of het haalbaar is? Geen idee. Maar beter ergens naar toewerken dan lusteloos op de bank hangen. Vorig week kreeg ik een best heftige reactie op mijn zaterdagstukje. Mitch schreef ‘Vaak is een terugval definitief. Niet dat ik je bang wil maken. Je ziet het ook vaak bij mensen die gaan sterven, ineens is er een opleving, waar je heel blij van wordt en 2 dagen later is het toch voorbij.Ik wens je veel sterkte toe.’
Nou Mitch, dat moet je nou nooit tegen mij zeggen. Deze zomer loop ik in het vulkanengebied, al zou het maar een ommetje van een half uur zijn. Zodat ik daarmee jouw ongelijk bewijs en jij nooit meer van dat soort duistere reacties achterlaat!
Fijn weekend allemaal!