Joris

Hoewel ik dol ben op kittens heb ik er weinig ervaring mee. Het dichtst in de buurt komen Smoes en Moos die naar schatting drie tot vier maanden waren toen we ze vonden (Moos) en via het asiel kregen (Smoes). Dat komt ook omdat ik mezelf nooit toestemming heb gegeven om zo vanuit een nestje een kitten te nemen. Ik vind dat wie een huis nodig heeft, de weg wel naar ons vindt. Kittens komen meestal wel terecht maar oudere katten waar iets mee is, hebben meer moeite om een huis te vinden.

Zo was het ook met mijn eerste kat, Joris. Een zwart-witte koe-kater van 6 kilo met een nogal uitgesproken karakter. Hij zwierf begin jaren ’90 op de Prinsengracht in Amsterdam en werd daar gevoerd door bewoners. Toen hij ziek werd brachten ze hem naar het dierenasiel. Daar zat hij te verpieteren want niemand wilde hem. Hij was nogal wild en onaangepast.

Toen ik op een dag besloot het kattenleed in de wereld te verminderen door er op zijn minst eentje te redden, toog ik naar het asiel met mijn huisbaas B. Hij had een auto en ik niet, vandaar. 

Doet u mij de kat die hier het langst zit‘, zei ik zelfverzekerd. Waarop me werd verteld dat dát niet aan te raden was, het beest was een kreng. Na wat onderhandeling besloten we dat ik even met de kat alleen mocht zijn om te kijken of er een klik was.

Die was er niet, meneer zat met zijn rug naar me toe en keek niet op of om. Dan had ik nog geluk, want meestal viel hij mensen aan. Zijn houding veranderde op slag toen ik een touwtje tevoorschijn haalde. Hij was dan een kreng, hij was ook speels! Dus besloot ik het erop te wagen.

Omdat ik nog geen kattenreismand had, kreeg ik van het asiel een kartonnen reismand mee. Tijdens de rit terug zag ik eerst een nagel en toen meerdere nagels door het karton snijden en bij thuiskomst zaten we met een dolle agressieve kat in de auto die we toch op de één of andere manier het huis in hebben weten te krijgen. Hoe precies, dat weet ik niet meer, dat heb ik waarschijnlijk verdrongen.

Dat was het begin van vele momenten dat ik op tafel kroop en koest! af! lief! riep. Werkte niet natuurlijk. Wat ik eraan moest doen wist ik niet. De enige kattenervaring die ik tot dan toe had was met onze kat Floris bij mijn ouders thuis, die we poppenkleertjes konden aandoen en dan gingen we met hem wandelen. Dat was geen kat maar een lief sukkeltje en niet te vergelijken met het monster dat ik in huis had genomen.

Alles ging eraan. Wollen truien werden zonder pardon binnen een paar minuten uit elkaar gerukt met nagels en tanden. Het terrarium van huisbaas B. dat beveiligd was met dubbel glas en zijn grote trots, bleek een makkelijk te schillen appeltje voor Joris te zijn. Ontdekte ik, toen ik hem midden in de glasrestanten zag zitten met een staart uit zijn bek.

Op een dag werd er aangebeld en bleek Joris van vier hoog naar beneden achter een duif aan te zijn gesprongen. Hij had een gebroken heup. Ik had inmiddels een lege portemonnee na het opnieuw inrichten van het terrarium, het continu moeten betalen voor de schade die hij aanbracht in huis en de dierenartskosten.

Toch was die gebroken heup wel een omslag. Hij kon niet lopen maar alleen een beetje kruipen en hij had mij nodig om bijvoorbeeld op zijn bak te kunnen. De band tussen mens en kat verbeterde aanzienlijk.

Die werd nog beter toen ik een vriend kreeg die niet op tafel kroop als hij agressief deed – de kat, niet mijn vriend 😉 – maar die deed wat Joris deed, er achter aan rennen dus. Ik zou het zelf nooit aanbevelen maar bij deze kat werkte het. Hij werd wat rustiger en beter benaderbaar. Al zat bezoek nooit echt lekker op de bank als hij zat te loeren naar ze.

De grote omslag in het leven van Joris kwam toen ik een klein poesje mee naar huis nam. Mijn toenmalige schoonzus had in de supermarkt een man aangesproken die een kleine kat in zijn jaszak had. Hij drukte het beest in haar handen en verdween. Maar zij had al 5 katten, een kleuter en een bijstandsuitkering en bovendien waren haar katten absoluut niet gecharmeerd van het poesje. Dus  zat ik voor ik het wist in de tram met dat katje onderweg naar huis, met de belofte dat ik er een huisje voor zou zoeken. Ondertussen hopend dat Joris niet dacht dat ik een lekkere snack voor hem had meegebracht.

Groot was de verbazing toen Joris een complete gedaanteverandering onderging. Aanvankelijk was er wat geblaas en gegrom maar na de eerste nacht werd ik wakker en zag ik ze op de bank in elkaars poten liggen. Joris was verliefd, héél erg verliefd. En werd daarmee de goedzak die hij bleef tot hij op hoge leeftijd overleed.

Ik kon alles met hem doen, hij was lief en groot en erg aanwezig en heel gelukkig met zijn Dorrit. Hij was overweldigend in de aandacht die hij kon geven, voelde het aan als ik verdrietig was en kwam me dan troosten. Streken bleef hij wel houden. Hij speelde graag dat hij dood was als vriendin S. hem eten ging geven als ik op vakantie was. Dan lag hij met de poten in de lucht, niet knipperen met zijn ogen, niet zichtbaar ademen en als S. dan voorzichtig naderde – ze is allergisch voor katten het arme mens – sloeg hij toe.

Hij overleed op 7 juni 2006. We gingen meteen daarna op vakantie naar Italië en ik zie me nog liggen in de tent, brullend van verdriet. Toen ik Smoes via het asiel kreeg in september 2006, heeft het asiel een geschatte geboortedatum in zijn dierenpaspoort gezet. Geschat, want Smoes was gevonden (in een sloot in een doos maar dát is een ander verhaal). Toen ik die datum zag kreeg ik wel even kippenvel: 7 juni 2006. Dat heeft zo moeten zijn.

Alle katten zijn mij dierbaar. Maar Joris was een wel heel bijzonder beest. En dat was hij.

5 jaar Dibbes!

Ik ben Dibbes.
Mijn hoofd is leeg.
Ik heb geen zorgen.
Mijn buik is vol.
Het bed is zacht.
Mijn bak is gevuld.

Ik heb een huis.
Gevuld met mensen
die mij knuffelen
en aaien.
Die mij zien.
Die mij zagen
toen niemand mij zag.

Ik heb nu een naam.
Ik ben Dibbes.
Ik ben thuis.

(Vandaag vieren we het 5 jarig jubileum van Dibbes als huiskat!)

Voorbereiding bezoek dierenarts

Hoi!
Gerrie hier.
Ik maak weer zó veel mee!
Ik ga naar school.
Een paar keer per dag.

De vrouw gaat aan tafel zitten.
En roept me.
Ja, doei!
Ik kom niet zomaar!
Eerst 5 minuten lokgeluidjes laten maken.
En dán spring ik op tafel.
Of niet.
Ik vertrouw het voor geen meter.

Maar omdat ik een watje ben
en heel veel van haar hou
en dól ben op kusjes 
en aaitjes
en lieve woordjes
in mijn oren,
spring ik tóch op tafel.

En dan,
als ik helemaal
week en zacht ben,
tilt ze me op.
Dát is niet de bedoeling!
Ga weg, eng mens!

Blijkbaar doe ik het goed.
Ze zegt dat ik
haar lekkere Gerrieknoedel ben,
haar slimme schetepoeperd,
haar harige knuffelbal.
Dát hoor ik graag.
En ik krijg lekkers!
Telkens als ik me laat optillen
en niet tegenstribbel
krijg ik een hapje.

Dus laat ik me nu
goed slap hangen
als ze me optilt.
Ik vind het inmiddels
ook iets minder eng.

Ze zei laatst dat ik door mocht
naar de volgende groep!
Optillen en lopen.
Nou dát is weer spannend.
Maar ook dat lukt goed.

Waarom het moet?
Ik weet het niet.
Ik wil het niet weten.
Zeker niet waarom
die mand daar staat.
Want dáár ga ik niet in.
Echt niet!

Doei!


Gedragsregels

img_20170221_0813161453727193.jpg

Zijn we er allemaal? Iedereen aanwezig? Ik leg het nog één keer uit. En nu graag opletten!

Komen ze!

  1. Eten uit andermans bak heeft de voorkeur.
  2. Opgestaan is plaats vergaan.
  3. Slapen is onze belangrijkste activiteit.
  4. Wij vinden eten lekker tot we zien dat het in ’t groot wordt ingekocht.
  5. Wij kruipen pas op schoot als het voedseluitgiftepunt nét wil opstaan.
  6. De dag begint om 6 uur ’s ochtends.  
  7. Het mens dient te worden aangemoedigd met corrigerende tikjes van de poot om op te staan. Werkt dat niet ga dan over tot niezen in het gezicht, succes verzekerd.
  8. Kots deponeer je naast het bed, nét uit het zicht maar wel in de loop.
  9. Deze is voor jou Gerrie, even opletten graag: poepen doe je tijdens het avondeten van de slaven bij voorkeur op de bak, zodat ze kunnen genieten van het aroma.
  10. Schone was dient als plek waar je overtollige haren kunt achterlaten.
  11. Twee uur vóór etenstijd gaan we klaar zitten. We bevorderen het krijgen van eten met dé blik: langdurig staren zonder knipperen. Smoes kan desgewenst even laten zien hoe het moet.
  12. Aandacht vragen wij op verschillende manieren. Zigzaggend voor het mens uitlopen, die dan nét niet struikelt is bijzonder effectief. Werkt dat niet, ga dán over op dramatisch miauwen.
  13. Het toilet is de plek waar het mens gaat zitten zodat jij op schoot kunt springen, maak daar goed gebruik van. Accepteer het niet als ze de deur sluit. Ga dan over op gillen.
  14. We tolereren geen andere katten in huis. Tenzij ze toch binnendringen, dan negeren we ze.
  15. Het is altijd de schuld van de buurkat, wát er ook gebeurt.

Vragen? Iemand? Nou daar gaan we dan. Jullie kunnen het! Wij zijn geweldig! Glorieus is de weg naar succes! 

Kattenhuishouden

In de nieuwsbrief van onze dierenarts stond een stuk van een kattengedragtherapeut dat inging op de vraag of katten solitaire dieren of groepsdieren zijn. Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden want ligt vooral aan de leefsituatie én aan het karakter van katten.

Een kat zal niet zomaar vrijwillig in een grote groep leven. Al blijven vrouwelijke exemplaren wel vaker bij elkaar als ze in het wild leven. Een angstige niet gesocialiseerde kat zal zich sowieso niet prettig voelen in een groep. En multi-kattenhuishoudens zijn vaak door mensen gecreëerde kunstmatige situaties waar veel katten zich helemaal niet prettig bij voelen. Daarom is het zo belangrijk om katten aan elkaar te laten wennen en niet zomaar een nieuwe kat te nemen omdat je denkt dat je huidige kat dat op prijs stelt. Aldus de kattendeskundige.

Mijn ervaring is dat daar vooraf geen zinnig woord over te zeggen is. Natuurlijk ligt het aan het karakter van je kat maar daar kun je je enorm in vergissen. Onze Moos is namelijk al jaren de schrik van de buurt. Nou ja, nu hij oud en bejaard is, is hij helemaal geen heer en meester meer, maar dáár hebben we het niet over, te pijnlijk. Op grond van zijn karakter en gedrag heb ik in het verleden er altijd voor gekozen om niet zomaar een kat erbij te nemen. Toen Smoes erbij kwam, was Moos net een paar weken bij ons en ze waren van dezelfde leeftijd, dat scheelde.

Maar een nieuwe kat? Ik zou mijn hand ervoor in het vuur steken dat dit niet goed zou gaan en mijn schoen opeten als toetje. Dat dus. Lekker stellig. Maar juist Moos vond het wel prima dat onze zwervers erbij kwamen. Er zijn wel wat vervelende momenten geweest, vooral die ene keer dat Dibbes in de kont van Moos beet. Maar toch, het viel reuze mee. Voor Smoes ook, die vindt alles en iedereen lief, leuk en aardig, vooral als het vier poten heeft en flink harig is.

Wij hadden natuurlijk het geluk dat de introductie heel geleidelijk ging. De zwervers wurmden zich gewoon steeds meer het huis in. Bovendien stelden ze zich heel onderdanig op naar Moos en Smoes (op die ene beet in de kont na dan, hè Dibbes!).

Dibbes en Gerrie waren allebei heel angstig en daardoor juist op hun gemak in een groep. Ze konden namelijk gedrag kopiëren en zo leren wat normaal is qua gedrag en kattentaal. Ze voelen zich duidelijk veilig zo in een groep van vier.  Vooral de eerste twee jaren deden ze eigenlijk de hele dag alles na. ‘O, nu gaan we slapen, lopen, spelen, klieren, eten!’ Weinig eigen initiatief en grote volgzaamheid. Inmiddels volgen ze iets meer hun eigen agenda. 
Maar de hele familie gaat nog steeds na het avondeten een avondronde doen en stapt dan gezamenlijk de straat op.

Natuurlijk zijn er wel wat conflicten geweest. Naarmate de heren ex-zwervers meer zelfvertrouwen kregen, hebben ze wel eens een ongepaste mep uitgedeeld. En vooral Gerrie snapt nog niet altijd wanneer het speeltijd is en wanneer niet. Hij snapt vooral de signalen niet die Moos uitzendt. Maar Gerrie snapt wel meer niet want hij is ook bang voor aardappelpuree. En mensen die aanbellen. Iemand die hoest. Geritsel. Opgepakt worden. Hebben jullie even? Ik kan de rest van de dag vertellen over waar Gerrie bang voor is 😉 .

Dat een angstige niet aan mensen gewende en niet gesocialiseerde kat als Gerrie tóch bewust ons leven binnendrong en een plek veroverde, is dus op zijn hoogst heel opmerkelijk te noemen. Want dit is geen normaal gedrag volgens de kattentherapeut. Volgens mij was het pure overlevingsdrang. Ga daarheen waar er voedsel is, het warm is en meerdere katten zijn. Dát is blijkbaar een goede plek.

Ook denk ik dat Gerrie Dibbes misschien nog herkende van het zwerversbestaan. In het jaar voordat we Dibbes opnamen, zagen we hem en Gerrie vaak samen. Eerst dachten we dat het dezelfde kat was, zo lijken ze op elkaar. Maar waarschijnlijker is het dat ze uit hetzelfde nest kwamen. Nestbroeders of niet, op straat waren ze elkaars concurrent. En dus zaten ze soms blazend naar elkaar hier in de tuin op eten te loeren.

Dat gaat nu een stuk beter al zijn ze wel verschrikkelijk jaloers op elkaar en onhebbelijk tegen elkaar. Dat geldt vooral in situaties waar ik in beeld ben. Gisteren lag Gerrie in totale katzwijm tegen mijn buik aan, poten in de lucht, het leven was goed. Dibbes sprong op bed en was getuige van een potje vreemd gaan waar hij grote moeite mee had. Hij hield zich een half uur in maar besloot toen toch tot ingrijpen. Genoeg!

Dus kroop hij achter langs over mij heen, kroop in mijn hals, parkeerde zich achterwaarts in en ik zag Gerrie met een paniekblik onder Dibbes verdwijnen. Die vervolgens heel achterbaks opkijkt, hé, jij hier ook, ik had je niet gezien. Ik heb diepe bewondering voor het feit dat hij blijkbaar zo vooruit kan denken om een ander weg te pesten. Maar onhebbelijk blijft het. Al boeken we ook hier vooruitgang want twee jaar geleden zou hij gewoon meteen op Gerrie gesprongen zijn.

Voor mij was het vooraf daarom het hoogst haalbare als alle katten of in ieder geval de twee generaties elkaar tolereren en niet in de haren vliegen. Om die reden kunnen ze ook altijd overal in huis liggen. Er is ruimte zat om zich terug te trekken. En dus liggen ze altijd overdag op bed, met zijn vieren op een vierkante meter, soms zelfs allemaal tegen elkaar aan, een poot tegen kont, een kop op een staart van een ander.

In een volgend leven kom ik terug als kattengedragstherapeut. Of nóg beter, als kat! En dan zoek ik mezelf als baasje uit. Strak plan.

Een motorboot in bed die honger heeft

Het is dus zaak voor de viervoetigen om de tweevoetigen nauwlettend in de gaten te houden. En dan met name het voedseluitgiftepunt. Ik word daarom rond etenstijd achtervolgd, gadegeslagen – soms meestal dwingend aangestaard – en hier en daar wordt wat actie ondernomen om mij aan te moedigen het juiste te doen.

Dat begint bij voorkeur vroeg in de ochtend en het zijn altijd dezelfde katten die me wakker maken. Moos en Gerrie zitten meestal keurig beneden te wachten tot we verschijnen maar Smoes en Dibbes hebben een andere aanpak.

Dibbes parkeert zich tegen de tijd dat ik ga slapen 9 van de 10 keer tegen mijn buik aan. Enerzijds uit bezitsdrang en behoefte aan samenzijn denk ik. Anderzijds zou het me niet verbazen dat die plek ook handig is omdat je het dan meteen weet als het mens wakker wordt en er iets gaat gebeuren. Zoals brokjes geven!

Smoes ligt meestal op het voeteneind. Moos ook. Tegen de tijd dat het licht wordt reageren ze allebei heel anders. Moos loopt naar beneden en gaat daar niet al te ver van zijn bak staan wachten. Maar Smoes blijft. En staat paraat. Heel erg paraat. Inmiddels weet hij dat het niet gewaardeerd wordt als hij over me heen gaat lopen en prakken terwijl ik nog slaap. Iets wat hij wel regelmatig heeft gedaan en wat werd bestraft met een tijdelijke verbanning uit de slaapkamer.

Dát maakte grote indruk dus zit hij zich tegenwoordig enorm in te houden terwijl ik slaap. Stokstijf zit hij daar, met zijn ogen wijd open naar mij starend, zie ik als ik stiekem door mijn oogleden gluur. Stiekem, want als hij weet dat ik wakker ben kan ik het wel vergeten. Hij staart en staart en zit als een standbeeld zo stil. Hij kan alleen wel stilzitten maar niet stoppen met spinnen.

De gedachte aan eten én het feit dat het elk moment kan gaan gebeuren doet een spinmachine aanslaan die een vergelijking met een motorboot met gemak doorstaat. En dat hoor ik. Terwijl ik uitgeplugd ben. En dan echt bijna niets hoor. Dat is knap hoor.

Zodra ik mijn grote teen beweeg, springt Dibbes op en rent weg. Maar komt ook meteen weer terug. Waar blijf je nou! Eten! Nu! Kom op! Waar blijf je nou! 

Zodra Smoes die bewegende teen heeft gespot, springt ook hij op. Rent over mij heen, gaat staan prakken alsof zijn leven er van af hangt, duwt Dibbes opzij die mij in blinde paniek komt halen want het duurt allemaal veel te lang.

Wat de heren niet in de gaten hebben is dat één teen bewegen niet betekent dat je het bed wilt verlaten. En mocht je toevallig toch het bed willen verlaten, dan is het handig als er niet twee katten in de weg zitten die aan hun mens vastgeplakt zitten.

Vroeger dacht ik dat spinnen van katten altijd een teken was van blijdschap of ontspanning. Tegenwoordig weet ik dat het heel veel betekenissen heeft. Het kan voorpret en spanning betekenen zoals bij Smoes, bij de gedachte aan lekkere hapjes. Het kan tevredenheid betekenen of een uiting van genegenheid zijn, naar mij als mens toe. Het komt ook wel voor dat Dibbes bij de dierenarts op de behandeltafel keihard gaat knorren. Een uiting van stress in combinatie van afhankelijkheid tonen naar mij toe, denk ik dan.

Geen kat spint hetzelfde. Het is net zo persoonlijk als het stemgeluid van een mens. En de intensiteit kan per situatie verschillen maar ook zeker per kat. Smoes klinkt dus als een motorboot en als hij tegen mij aanligt en spint dan heb ik altijd het idee dat ik op een motorisch massagebed lig.

Gerrie daarentegen, die horen we bijna niet en ik voel zijn gespin ook vrijwel niet. Geheel passend bij zijn ingetogen karakter. Dibbes spint steeds harder naarmate hij langer bij ons woont. Dat is dus een gevalletje aangeleerd gedrag. Hij neemt dat vast over van Smoes. En Moos? Die spint soms hard, soms zacht, soms niet. Hij houdt er niet van in hokjes te worden gestopt en vindt überhaupt al die aandacht wat ongepast. Houd daar mee op!

De vergelijking van Smoes met een motorboot is natuurlijk wat overdreven maar wisten jullie dat er een kat is – Merlin – die wereldrecordhouder spinnen is? Zijn gespin produceert 67,8 decibel. Dat schijnt vergelijkbaar te zijn met het geluid van een vaatwasser of wasdroger. Zeker weten dat Smoes daar met gemak overheen komt.

Sommige mensen scheppen op over hun kinderen. Anderen over hun kat. 

Gerrie en de vlooien

Mijn aankondiging van een paar dagen geleden dat ik het blog of in ieder geval sommige artikelen achter een wachtwoord ga zetten, heeft tot een stortvloed aan mails geleid. Iets wat ik niet echt had voorzien. De meest gestelde vraag was of ik alsjeblieft niet de kattenstukjes achter slot en grendel wilde gaan zetten.

Dat ga ik inderdaad niet doen. Sterker nog, hier komt er één, vangen!

De dag nadat we van vakantie terugkwamen vertelde de googlekalender mij dat onze Gerrie een vlooienpil moest. Ik gebruik weliswaar nog steeds een papieren agenda, maar dit soort dingen, vlooien- en wormenbestrijding en zo, zet ik graag in de agenda op mijn telefoon. Ik krijg op de dag zelf een reminder en zo weet ik vanzelf welke kat de bofkont van de dag is. Ik doe ze nooit allemaal tegelijk, want als ik er twee heb gedaan krijg ik de andere twee niet meer te pakken. Dus doe ik een kat per keer en is de volgende een dag of twee dagen later aan de beurt.

Nu is dat toedienen bij Gerrie niet heel makkelijk. Hij kent drie standjes:
1) bang, ik vertrouw jou niet,dit is het einde van alle fijne dingen
2) ik zit op de trap en gluur naar potentieel enge dingen
3) extreem aanhankelijk en knuffelig, ik ben nu Chef Kopstoot

Toen hij hier net woonde gaf ik hem een paar keer een vlooienpipet. Dát was geen succes. Geen enkele kat vind dat fijn maar meestal herstellen ze zich daar snel van. Het is vooral verontwaardiging dat dit ze nu wéér overkomt, die ongepaste smerige geur op hun rug.

Maar Gerrie herstelde er niet van als ik het deed. Hij bleef tot wel twee dagen erna angstig en geagiteerd, durfde ook niet meer naar binnen te komen. Na het toedienen gaat hij een soort van buikschuiven. Alsof het spul op zijn rug eraf valt als hij gaat tijgeren, echt te zielig.

Dus stapte ik na een tip van een bloglezer over op Comfortispillen. Dat zijn pillen ter grootte van een aspirientje dat zeer effectief is. Alleen de pil moet dus wel in de bek worden gepropt. Omdat de pil zo groot is, moet hij bovendien in vieren worden gesneden. Je propt er dus niet een pil in maar vier keer een kwart pil.

Dat lukte redelijk. Gerrie was in het begin zo schuw en bang dat als ik hem eenmaal vast had, hij compleet verstijfde en zich als een mak lammetje liet ‘mishandelen’. Want zo voelt het wel als je een kat iets tegen zijn zin in zijn bek moet proppen.

Nu ben ik echt een ervaren pillengever. Ik ken inmiddels alle trucjes die je kunt toepassen. Maar Gerrie is een geval apart. Hij laat zich – waarschijnlijk omdat hij gewoon wat sterker is inmiddels en meer zelfvertrouwen heeft – niet meer zomaar oppakken en een pil in zijn bek stoppem. Hij heeft een tactiek dat hij met alle vier poten de lucht in springt als je hem probeert te pakken, zo glibberig als zeep. Heb je hem eenmaal tóch vast dan lukt vast blijven houden bijna niet. Laat staan dat je dan een gevierendeelde pil in zijn bek krijgt. Een wormenpil lukt over het algemeen wel, die is veel kleiner.

De laatste paar keer was het al een drama om hem de Comfortis toe te dienen en ik vroeg daarom nu deze keer aan de man hulp. Het eindigde met opengekraste armen, gekwetste zielen, een kat die van de stress overmatig ging kwijlen en waarbij er ook iets in zijn bek was beschadigd, ik denk door het scherpe randje van die kloterige gevierendeelde pil. In ieder geval het bloed kwam er uit. Om het geheel compleet te maken had hij tot vier dagen na toediening een soort zenuwtic met zijn bek en kop, ik denk van de stress. En vond ik delen van de pil later op de grond.

Nou, mens en dier hebben hadden hier een groot trauma te verwerken. 

Dit wil ik niet meer maar ik wil natuurlijk ook geen kat met vlooien en hij laat zich niet kammen. Dus bedacht ik dat ik hem bij zijn jaarlijkse dierenartscontrole en enting, meteen een vlooieninjectie wil laten geven. Dat werkt een half jaar en bespaart me het maandelijkse worstelen met vier stukken pil.  Ik stop hem eerlijk gezegd liever twee keer per jaar in een mand en ga met hem naar tante dierenarts dan dat ik maandelijks die pil in zijn bek moet proppen. 

Maar hem optillen is ook een ‘ding’. Dus oefen ik nu met optillen. Tijdens onze knuffelsessies pak ik hem af en toe op en zet hem dan meteen weer neer. Zodat de weerstand wat minder wordt. De reismand staat al weer klaar en hij krijgt lekker hapjes in de buurt van die mand.

Een echte kat-in-de-mand-training wordt het niet. Dat heb ik wel geprobeerd vorig jaar maar is met hem – in tegenstelling tot Dibbes – geen succes. Hij stapt niet uiteindelijk zelf de mand in, hoeveel lekkere brokjes ik er ook in leg. Het valt hem gewoon niet aan te leren.  Ook niet als ik de bovenkant van de reismand eraf haal, zodat het wennen in etappes gaat. Dibbes had ik na 5 maanden zover dat hij in de mand zet met deksel dicht en dat ik de mand al kon optillen. Gerrie zat toen na 5 maanden nog steeds op een meter afstand naar het lekkers in de mand te kijken. Lekkers vóór de mand wordt wel gepakt, maar lekkers in de mand is ‘de vijand’.

Ik weet uit ervaring dat als ik hem eenmaal in de mand heb, hij wel rustig blijft. Dus ligt de nadruk nu vooral op hem op kunnen pakken.

Je kunt de kat wel uit het trauma halen – zoals het leven op straat bij Gerrie heeft veroorzaakt –  maar je haalt het trauma helaas nooit meer uit de kat. Honden kunnen volgens mij makkelijker een verleden achter zich laten. Bij Gerrie is toch wel het hoogst haalbare dat hij tevreden is en zich veilig voelt en geen vlooien heeft. En dat is goed zo.

Over katten, de keiharde werkelijkheid, hoop en dankbaarheid

Vandaag is het internationale kattendag, bedoeld om katten eens in het zonnetje te zetten en te verwennen. Nu negeer ik dat want het is hier jaar in jaar uit 24 uur per dag kattendag. En verwennen doe ik ze al genoeg. Leef je als kat in Huize Min of Meer dan word je overstelpt met aandacht en zorg.

Het werkt ook andersom. Ik leef voor een groot deel huisgebonden en zonder de katten zou ik dat een stuk zwaarder vinden. Er ligt er altijd wel eentje binnen handbereik om geaaid te worden. Eenzaam voel ik me niet met  vooral Gerrie in de buurt, die als ik naar hem kijk altijd begint te kletsen. Ik denk oprecht dat zij mij erdoor heen slepen en ik hun leven ook beter maak.

Het is trouwens vandaag nóg een internationale dag: de dag van Severe ME. Op deze dag staan we stil bij mensen die de ergste vorm van ME hebben. Mijn leven is al heel beperkt maar mensen met deze vorm liggen 24 uur per dag in het donker, verdragen geen voedsel, licht, geluid en hebben helse pijnen. En overlijden. 8 augustus was de geboorte dag van Sophie Mirza, een Engelse ME patiënte die aan de gevolgen van ME is overleden.

Elke dag ben ik blij dat ik deze vorm van ME niet heb
– dankbaar dat ik nog, al is het maar af en toe, naar buiten kan, zelf kan eten, kan lezen, de katten kan aaien en met mijn gezin samen een tv serie kan kijken.

Elke dag ben ik bang dat ik deze vorm van ME krijg
– want stadia verschuiven en ik ken diverse patiënten die vergelijkbaar met mij waren en dan ineens zover terugzakken in mogelijkheden dat ze 24 uur per dag plat moeten liggen. Zelf heb ik ook een aantal jaren bijna continu plat gelegen en weet hoe slopend dat is. Voor de patiënt én zijn omgeving.

Elke dag sta ik op met de hoop dat er een oplossing wordt gevonden – want na een jaar vol aandacht in de media over ME en de erkenning van de Gezondheidsraad is de hoop dát er ooit een oplossing wordt gevonden weer opgelaaid. Voor veel patiënten komt die oplossing  helaas te laat.

Vandaag sta ik stil bij wat mensen met ernstige ME allemaal moeten missen. Ik mis veel maar kan in vergelijking met deze groep patiënten tot mijn grote dankbaarheid gelukkig nog onvoorstelbaar veel. En ook al sla ik douchen maar al te vaak over wegens pijn en gebrek aan energie, ik ben niet afhankelijk van een ander om me te wassen.

Het is zomertijd, mensen genieten volop, ontmoeten hun vrienden op terras, strand en doen wat gezonde mensen doen. Terwijl mensen met ernstige ME continu in het donker liggen, dromend van een ander leven en in sommige gevallen dood liggen te gaan.

Dat is de keiharde werkelijkheid. Ik hoop dat we dat ooit kunnen veranderen.

Hè hè

Hoewel ik hoopte op een hele rustige week, ging ik deze week uiteindelijk toch nog twee keer naar de dierenarts. Dinsdag voelde ik dat de poot van Moos weer iets verdikt was en zijn voet was ook nog best dik. De zaterdag ervoor had de dierenarts een ontstoken nagelbed geconstateerd en hij kreeg sindsdien pijnstilling en antibiotica.

Zus was afgelopen dinsdag weer in Hoorn, om een high tea te maken ter ere van de 80ste verjaardag van onze moeder. Maar ze was bereid tussen de voorbereidingen door met mij naar de dierenarts te rijden. ’s Middags sprong ze weer in de auto om de kat van  vriendin D. op te halen, waar het even niet zo lekker mee ging en die de nacht bij een dierenkliniek had moeten doorbrengen. Zus staat dus nu met stip op nummer 1 van de top 10 van  lieve mensen die super zijn in noodsituaties.

Afijn, Moos weer in de mand en het gejammer begon weer. Want als er iets erg en onjuist is, dan is het als Moos in de mand moet. Katonwaardig! En dat laat hij merken.

De dierenarts constateerde dat het voetbed inderdaad nog wel erg dik was. Er zat ook weer wat vuil in de wond en dat is schoongemaakt. De verdikking in zijn poot die ik voelde was echt minimaal. Gelukkig geen ontsteking of een abces maar waarschijnlijk het gevolg van anders gebruiken van zijn spieren om zijn voet te ontzien. Spieren reageren heel snel op dat soort dingen.

Zaterdag terugkomen en tot die tijd hem nog steeds binnenhouden en zijn voetje regelmatig weken in een ontsmettend spulletje was het advies.

Moos binnen houden was niet eenvoudig want hij was afwisselend depressief en razend en heeft ons goed wakker gehouden omdat hij uit pisnijd en bij uitbraakpogingen letterlijk in de gordijnen hing.

De lijst met katten die zaterdag mee moesten werd dus steeds langer en gisteren gingen we uiteindelijk met Moos, Smoes en Droppie, de kat van vriendin D. wiens poot tien dagen geleden is geamputeerd,  op controle.  De poot van Moos zag er weer prima uit en we kregen groen licht. Meneer stapte meteen na het dierenartsbezoek dol gelukkig door de deur de tuin in en is sindsdien weer geheel zichzelf.

Smoes gaat ook goed. Het was de laatste controle na de schildklieroperatie van 3 weken geleden. Zijn ontlasting is goed, hartslag is normaal en hij valt niet meer af. Sterker nog, hij is aangekomen. Hij heeft de groeicurve van een kitten vertelde de dierenarts en dat is nu net niet de bedoeling willen we niet met een tientonner Smoes eindigen.

Want meneer vraagt nog steeds heel vaak om eten. Hoewel hij absoluut niet meer zo veel eet als tijdens het hoogtepunt van de schildklierellende – toen at hij zo 600 tot 800 gram nat voer per dag én daarnaast droge brokken – eet hij nog steeds wel twee keer meer dan de andere katten.

Dat is dus een gewoonte volgens de dierenarts. Eten is altijd wel een ding geweest voor Smoes – als kitten en jong katje heeft hij honger geleden – maar hij krijgt nu meer binnen dan hij nodig heeft. Dus moet ik streng zijn en echt overgaan tot normale porties. Smoes kan nogal dwingend kijken dus krijg ik nu het merendeel van de dag dé blik:

Kat Droppie werd verlost van het merendeel van zijn hechtingen en mag nu gaan wennen aan lopen op drie poten. Natuurlijk niet mijn kat maar omdat wij hem haalden en brachten de afgelopen tijd en D. bijstonden met toedienen van medicatie en zo, was het ook voor ons fijn nieuws dat zijn wond goed is genezen. Het wordt nog wel een lang traject want hij ervaart nog pijn – waarschijnlijk fantoompijn, de zenuwen moeten wennen aan een nieuwe situatie – maar voor ons (vooral voor M. ) zit het er op wat heen en weer rijden betreft.

Dus. Nu gaan we hopelijk weer over op normaal want ik ben er goed klaar mee. Ik hoop ook dat ik snel uit de zorgmodus kan stappen want vooral Smoes heeft mij flink beziggehouden en ik vind het moeilijk loslaten. Ik blijf tobben en ben bang dat het toch weer misgaat en vind het ook moeilijk om op vakantie te gaan. Volgens de dierenarts is er geen enkele aanleiding om thuis te blijven en kan ik met een gerust hart gaan. Dat ga ik dus ook maar proberen.

Over dierenartsbezoek gesproken, deze reactie kreeg ik onlangs:

Waarover ik mij dan verbaas (zonder te oordelen) hoe kun je bv wel tig keer per week naar de dierenarts hollen en ben je niet in staat om ‘eén keer naar de bibliotheek te gaan. Snap je dat dat raar is, voor een blog-lezer?
Dat wil niet zeggen dat ik je veroordeel, maar het rijmt niet.

Ik snap dat zeker wel en ben blij met die vraag want het geeft me de gelegenheid dit uit te leggen. Mijn antwoord aan haar was dit:

Dat snap ik wel dat dit verwarrend is. Dat komt deels doordat naar de dierenarts gaan moet omdat er dan een noodsituatie is, zoals de afgelopen weken. Met de auto, terwijl de man rijdt. Dus zeker niet hollend. 😉 Dierenartsbezoek gebeurt meestal op energie die er niet is. En zorgt vrijwel altijd voor een terugslag. Ik weet dat het slimmer zou zijn om M. alleen te laten gaan. Aan de andere kant ben ik degene die de katten het meeste verzorgt en dingen signaleert als het niet goed gaat. Dus vind ik het prettiger als ik dan meega.
En naar de bieb ga ik als er energie voor is. Wat dus de laatst tijd helaas niet voorkomt.
Het gaat dus om keuzes maken. Vanwege de vele dierenartsbezoeken heb ik douchen bijvoorbeeld vele malen over geslagen en vrijwel niet gekookt. Het is nog steeds het één of het ander hier.

Onverwacht dierenartsbezoek gebeurt dus op energie die er niet is en zorgt ervoor dat ik ‘in het rood’ kom te staan en veroorzaakt dan een terugslag. Gepland dierenartsbezoek (zoals een jaarlijkse controle en enting) is anders omdat ik dan in mijn planning daar rekening mee houd, al een paar dagen voordat ik ga. Hetzelfde geldt voor een trip naar de bieb. Dat kan ik doen op een dag dat ik voel dat er ruimte voor is.

De reden dat een trip naar de bieb de laatste tijd dus zo weinig voorkwam, is simpelweg omdat er dus steeds iets tussen kwam wat meer urgentie had. Ik ben de afgelopen weken uiteindelijk letterlijk van terugslag naar terugslag gegaan en hoop van harte dat het nu klaar is en ik weer wat kan herstellen. Het zou fijn zijn als ik op vakantie iets meer kan doen dan voor pampus op een ligbed liggen. Aan de andere kant, dat ligbed staat aan de rand van een privézwembad, boek binnen handbereik, dat is ook helemaal niet verkeerd.

Ik snap best dat het soms onbegrijpelijk is wat ik nu wel en niet kan doen. Zelf begrijp ik het trouwens ook vaak niet omdat de grenzen nogal eens opschuiven. Soms lukt iets wat normaal buiten mijn bereik ligt. En soms ga ik onderuit van iets simpels als een telefoongesprek.

Nou ja, dat was het wel. Ga ik nu ontbijten en kijken of er iemand al wakker genoeg is om een verjaardagsliedje voor me te zingen want ik ben jarig vandaag. 😉

Nóg een mankepoot

Als de wekker om kwart voor 7 gaat ben ik best verbaasd. Tot kwart voor 7 geslapen! Dat is uitslapen voor mij. Ik word al maanden tussen 4 en 5 in de nacht wakker en het lukt vaker niet dan wel om dan weer in slaap te vallen.

Omdat Smoes natuurlijk merkte dat ik vaak vroeg wakker was, heeft hij een nieuwe gewoonte ontwikkeld. Eerder wakker betekent kans op eerder eten krijgen! En dus ontstond er een patroon dat Smoes mij zo rond 5 uur kopjes begon te geven. Of, als dat niet werkte, over mij heen rende een paar keer. Van slapen kwam er dan natuurlijk helemaal niets meer terecht. Natuurlijk kunnen we de slaapkamerdeur dicht doen maar de ervaring heeft geleerd dat er dan vier katten achter de deur gaan zitten jammeren en krabbelen. Slapen lukt dan zeker niet meer. Ik ga een eventuele volgende generatie katten heel anders opvoeden maar vooralsnog heb ik daar nu geen donder aan.

Maar vannacht was er geen Smoes, alleen een wekker om kwart voor 7. Ik ging naar beneden om de katten eten te geven. De man vertelde dat hij brokjes had uitgedeeld en dat de kattentroep naar buiten was gegaan.  Zonder Moos, want die mag nog niet.

Ook Smoes ging naar buiten? Ik was helemaal verbaasd. Ze krijgen in de ochtend én avond wat natvoer en brokjes. En vooral voor Smoes lijkt natvoer van levensbelang te zijn. Niet raar als je een kat bent die net aan een te snel werkende schildklier is geopereerd.

Na een klein kwartiertje kwam hij dan toch opdraven. At zijn nat voer maar liet wat over. Dus kunnen we nu hopelijk de conclusie trekken dat zijn te snel werkende schildklier echt is genormaliseerd. Nu maar hopen dat hij mij voortaan ook met rust laat om 5 uur en ik weer beter ga slapen.

Schreef ik eergisteren over al het kattenleed, kwam daar gisteren nog wat leed bij. M en ik zaten in de tuin te ontbijten en buurkat Tommie kwam aangestrompeld. Zo mijn armen in. Zijn voorpoot was enorm dik.

Buurvrouw had donderdag al gemeld dat hij wat mank liep. Ergens ingestapt wellicht, of zijn pootjes verbrand aan de stenen op de straat (door de hitte). Ze keek het even aan en appte zaterdag dat het al veel beter ging.

M. en ik bevoelden de poot van het beest en dat voelde niet goed. Twee keiharde grote zwellingen, de ene bijna bij zijn oksel. Dus met Tommie in mijn armen en ik nog in kort slaapshirt met onderbroek togen we naar de buren, die daar nu nog vast nachtmerries van hebben (van mij in onderbroek).

Afijn, lang verhaal kort. Ik heb uitgelegd dat ze METEEN naar de dierenarts moesten en niet tot maandag moesten wachten. Want met een ontsteking in de poot moet je enorm uitkijken, dat kan zomaar oprukken richting het hart.

Dus gingen ze en kwamen beteuterd weer terug. Ze waren echt maar net op tijd.  Iets later en dan zou het exit Tommie zijn geweest. Hij had twee grote abcessen in zijn poot die gevaarlijk groot waren geworden.  Waarschijnlijk gevochten. Leeg geprikt en nu aan de medicatie.

Gelukkig niet mijn kat en dus niet mijn stress maar toch wel enerverend. Tommie wordt hier graag gezien. Hij komt elke dag even knuffelen, neust met alle katten en doet soms stiekem een dutje op de logeerkamer. Een hele lieve kat met een zeldzaam zacht karakter.

Ga ik nu proberen uit de ‘er is iets met alle katten uit mijn omgeving‘stand te komen. Ik zei tegen M. dat ik het gevoel heb continu alert te moeten zijn. Ik word daar hyper en doodmoe van en snak naar een hele gewone saaie rustige week waarin ik bij kan komen van de hitte en alle stress van de laatste tijd.

Ik wens mezelf dus een super relaxte rustige week toe met gezonde katten op vier poten die allemaal goed functioneren.